ECLI:NL:RVS:2018:2412
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongeldigverklaring rijbewijs na onderzoek alcoholgebruik ondanks betwisting bestuurder
Op 1 oktober 2016 werd appellant aangehouden op verdenking van rijden onder invloed met een alcoholpercentage van 785 µg/l. Het CBR legde daarop een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid op en schorste zijn rijbewijs. Appellant betaalde de kosten van het onderzoek niet, waarna het CBR zijn rijbewijs ongeldig verklaarde.
Appellant stelde in hoger beroep dat niet hij, maar zijn broer de auto bestuurde en dat hij bij zijn aanhouding onjuiste verklaringen had afgelegd om zijn broer te beschermen. Zijn broer en vriendin ondersteunden deze verklaring. De rechtbank oordeelde echter dat het proces-verbaal voldoende grondslag bood en dat de latere verklaringen onvoldoende objectief waren om het proces-verbaal te weerleggen.
De Raad van State bevestigt dat het CBR terecht een onderzoek heeft opgelegd en dat het rijbewijs ongeldig verklaard moest worden wegens het niet voldoen van de onderzoekskosten. De strafrechtelijke vrijspraak van appellant wegens onvoldoende bewijs betekent niet dat het proces-verbaal onjuist is. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Limburg bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de ongeldigverklaring van het rijbewijs bevestigd.