ECLI:NL:RVS:2016:176
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De vreemdeling diende in 2006 een asielaanvraag in die onherroepelijk werd afgewezen. Sindsdien woont hij bij zijn zus en haar minderjarige kinderen en heeft hij nog twee asielaanvragen gedaan die eveneens zijn afgewezen. De staatssecretaris wees zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier af, omdat er geen sprake zou zijn van familie- en gezinsleven met de kinderen van zijn zus volgens artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat er wel sprake is van familie- en gezinsleven omdat de vreemdeling zorg- en huishoudelijke taken verricht en samenwoont met zijn zus en haar kinderen. De staatssecretaris stelde echter dat de relatie vooral voortkomt uit het illegale verblijf van de vreemdeling en dat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er meer dan normale emotionele banden bestaan.
De Raad van State stelt dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd en dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat er hechte persoonlijke banden zijn. Gezien de omstandigheden en het ontbreken van concrete en verifieerbare gegevens acht de Raad de grieven van de staatssecretaris gegrond. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.