ECLI:NL:RVS:2016:175
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ondeugdelijke motivering inburgeringsvereiste
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, die door de staatssecretaris op 16 september 2014 werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure bleef het besluit gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat een grief van de vreemdeling niet in eerste aanleg was ingebracht en daarom niet in hoger beroep kon worden meegenomen. Vervolgens oordeelde de Afdeling dat de rechtbank ten onrechte niet had vastgesteld dat de staatssecretaris het besluit ondeugdelijk had gemotiveerd met betrekking tot het inburgeringsvereiste. Dit vereiste moest, op grond van een arrest van het Hof van Justitie, worden toegepast met inachtneming van de hardheidsclausule indien bijzondere individuele omstandigheden het inburgeringsvereiste onmogelijk of uiterst moeilijk maken.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris van 9 december 2014. Tevens veroordeelde zij de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van de vreemdeling. De zaak werd terugverwezen zodat de staatssecretaris een nieuw besluit kan nemen met een deugdelijke motivering.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering.