Conclusie
Datum conclusie: 15 april 2015
mr. L.A.D. Keus
en
[wederpartij B] als eiseres
Als inwonend meerderjarig stiefkind is [wederpartij A] door de Belastingdienst/Toeslagen op grond van het partnerbegrip van de Awir als partner van zijn stiefmoeder aangemerkt. Bijgevolg is zijn voorschot zorgtoeslag 2013 bij besluit van 23 april 2013 op nihil gesteld. Om dezelfde reden is, eveneens bij besluit van 23 april 2013, het voorschot kindgebonden budget 2013 voor [wederpartij B] ten behoeve van de twee halfbroers op nihil gesteld.
(zie noot 1)
Daartegen heeft de Belastingdienst/Toeslagen op 1 september 2014 hoger beroep ingesteld. Op 26 september 2014 heeft hij de gronden van zijn hoger beroep aangevuld. [wederpartij A] en [wederpartij B] hebben ieder op 8 oktober 2014 een verweerschrift ingediend.
- de (toepassing van de) partnerregelingen in het belastingrecht en het sociaal zekerheidsrecht voor en na 1 januari 2013, alsmede een vergelijking van deze regelingen met artikel 3 van Pro de Awir;
- de gevolgen van de drie regelingen voor de aanspraken en verplichtingen van stiefouders en hun meerderjarige inwonende stiefkinderen, zowel voor als na 1 januari 2013;
- de verenigbaarheid van deze regelingen met artikel 26 van Pro het IVBPR, artikel 14 van Pro het EVRM, mogelijk in verbinding met artikel 8 van Pro het EVRM en/of artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, en artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM in het licht van de jurisprudentie van het EHRM, met name of het hier aan de orde zijnde geval een inbreuk inhoudt op de genoemde verdragsbepalingen."
3.1 De Awir,
(zie noot 2)die op 23 juni 2005 tot stand is gekomen en op 1 september 2005 in werking is getreden, strekte ertoe om inkomensafhankelijke regelingen, met name voor zorg, kinderen en wonen, verder te stroomlijnen. Zoals in de memorie van toelichting bij het desbetreffende wetsvoorstel werd gereleveerd, verschilden de op dat moment bestaande inkomensafhankelijke regelingen sterk van elkaar, zowel wat betreft de gehanteerde begrippen als wat betreft de wijze van uitvoering. Die verschillen leidden tot een niet-coherent en voor burgers ondoorzichtig systeem van inkomensafhankelijke tegemoetkomingen in, onder meer, de kosten van wonen, zorg, kinderen en onderwijs. Met de keuze voor een algemene wet werden harmonisatie en stroomlijning beoogd, in beginsel van alle bestaande en nieuwe inkomensafhankelijke regelingen. Daaronder werden verstaan de bij of krachtens wet vastgestelde regelingen die natuurlijke personen aanspraak geven op een financiële bijdrage van het Rijk in kosten of bijdrageverplichtingen, waarbij de hoogte van de tegemoetkoming in die regelingen afhankelijk is gesteld van draagkracht. De memorie van toelichting verduidelijkte dat belastingwetten, die voor een deel ook inkomensafhankelijke elementen bevatten, buiten deze definitie vallen. Belastingwetten zijn immers niet gericht op het verstrekken van een inkomensafhankelijke bijdrage, maar juist op een inkomensafhankelijke heffing. Ook de wetten ten behoeve van inkomensvoorziening in het kader van de sociale zekerheid vallen niet onder de gegeven definitie. Deze regelingen geven niet een bijdrage in kosten of bijdrageverplichtingen, maar een inkomenssuppletie met het oogmerk een tekort aan bestaansmiddelen aan te vullen. De harmonisatie beperkte zich, nog steeds volgens de memorie van toelichting, niet tot de begrippen die een rol (kunnen) spelen bij de bepaling van de draagkracht van de belanghebbende. Zij strekte zich tevens uit tot de wijze waarop de draagkracht wordt bepaald. Daarbij benadrukte de memorie van toelichting dat voor inkomensafhankelijke regelingen die onder de reikwijdte van de Awir vallen, minimaal de draagkracht van de aanvrager en zijn partner van belang is.
(zie noot 3)
1. De partner van de belanghebbende is degene die hierna als eerste wordt genoemd:
a. de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerde partner;
b. degene die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en:
1°. voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor het berekeningsjaar kiest voor kwalificatie als partner van de belanghebbende;
2°. ten overstaan van een notaris een samenlevingscontract heeft gesloten met de belanghebbende;
3°. uit wiens relatie met de belanghebbende een kind is geboren;
4°. een kind van de belanghebbende heeft erkend dan wel van wie een kind door de belanghebbende is erkend;
5°. in een aan het berekeningsjaar voorafgaand kalenderjaar partner van de belanghebbende was;
6°. voor de toepassing van een pensioenregeling als partner van de belanghebbende is aangemeld, of
7°. samen met de belanghebbende een woning bewoont die voor hen een eigen woning is in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en aansprakelijk is of mede aansprakelijk is voor een schuld waarbij die woning als onderpand dient;
c. de meerderjarige die in het berekeningsjaar gedurende meer dan zes maanden onafgebroken een gezamenlijke huishouding voert met de meerderjarige belanghebbende en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, met uitzondering van:
1°. de bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belanghebbende;
2°. de bloed- of aanverwant in de tweede graad van de zijlijn van de belanghebbende gedurende de periode dat de belanghebbende op hetzelfde woonadres als zijn ouder staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.
(…)
3. Indien ingevolge het eerste lid, onderdeel c, tegelijkertijd meer dan één persoon als partner wordt aangemerkt, wijst de belanghebbende bij de aanvraag van de tegemoetkoming een van deze personen aan als partner."
(zie noot 4)Voor ongehuwd samenlevenden is in de Awir echter een materieel ruimer partnerbegrip opgenomen dan in de Wet IB 2001.
(zie noot 5)Voorts is in de memorie van toelichting uiteengezet dat (hoewel blijkens artikel 3, eerste lid, onderdeel b, onder 1o, de keuze voor een fiscaal partnerschap in de Awir doorwerkt) een keuzeregeling zoals (destijds) vervat in de Wet IB 2001 in de Awir ontbreekt en dat de volgorde van de beschreven situaties in artikel 3 van Pro de Awir bepalend is voor de vraag wie als partner van de belanghebbende moet worden aangemerkt. Op deze wijze wordt bereikt dat de uitvoeringsinstanties de regeling zelfstandig kunnen hanteren en dat zij de betrokkenen niet jaarlijks behoeven te vragen welke keuze zij voor de toepassing van het partnerbegrip maken, noch behoeven te beoordelen of van een duurzaam gezamenlijk gevoerde huishouding sprake is.
(zie noot 6)
(zie noot 7)voorkomen "dat bijvoorbeeld een bij haar dochter inwonende hulpbehoevende moeder als partner zou worden aangemerkt." Onder 2o worden de bloed- of aanverwant in de tweede graad van de zijlijn van de belanghebbende genoemd. Volgens de toelichting ziet die uitzondering op meerderjarige kinderen die nog bij hun ouders inwonen. Met die uitzondering wordt voorkomen dat, wanneer die kinderen niet kiezen voor een fiscaal partnerschap, zij voor de Awir toch als partners worden aangemerkt.
(zie noot 8)Reeds hier wijs ik erop dat, alhoewel de bepaling (ook reeds in het oorspronkelijke wetsvoorstel) spreekt van "de bloed- of aanverwant in de rechte lijn" respectievelijk van "de bloed- of aanverwant in de tweede graad van de zijlijn", zowel in het algemene gedeelte als in de artikelsgewijze toelichting van de memorie van toelichting, met weglating van het in de tekst van de wet mede gebruikte begrip "aanverwant(en)", wordt gesproken van "de eerstegraads bloedverwanten in de opgaande lijn" en "bloedverwanten in de rechte lijn" respectievelijk van "de tweedegraads bloedverwanten in de zijlijn" en "bepaalde tweedegraads bloedverwanten in de zijlijn".
(zie noot 9)
1. Kind is de bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn van de belanghebbende of zijn partner, die in belangrijke mate wordt onderhouden door de belanghebbende of zijn partner en op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Met een bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn wordt gelijkgesteld een pleegkind.
(…)"
(zie noot 10)
3.8 Hiervóór (onder 3.3) werd al opgemerkt dat voor het partnerbegrip van de Awir de omschrijving van dat begrip in de Wet IB 2001 het uitgangspunt was.
(zie noot 11)
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder partner:
a. de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot;
b. de ongehuwde meerderjarige die:
1°. met de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden onafgebroken een gezamenlijke huishouding voert en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en
2°. samen en uitsluitend met de belastingplichtige voor het kalenderjaar kiest voor kwalificatie als partner.
(…)
3. Als partner kan niet worden aangemerkt:
a. een bloedverwant in de eerste graad van de belastingplichtige, tenzij beiden bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt of
b. een persoon die geen inwoner is van Nederland en niet kiest voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige.
(…)"
(zie noot 12)
(zie noot 13)
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een kind mede verstaan een pleegkind, ook wat betreft bloed- en aanverwantschap."
(zie noot 14)
Overigens verdient het opmerking dat de bepaling van artikel 1.4 eindigt met de zinsnede "ook wat betreft bloed- en aanverwantschap". Ik meen dat die zinsnede aldus moet worden opgevat, dat het pleegkind niet slechts mede is begrepen in bepalingen van de Wet IB 2001 en daarop berustende bepalingen die de term "kind" of "kinderen" als zodanig gebruiken, maar óók waar zij (mede) in termen van bloed- en aanverwantschap een kind of kinderen aanduiden. Als mijn veronderstelling juist is, zou dat betekenen dat artikel 1.2, derde lid, onderdeel a, Wet IB 2001, sprekende van "een bloedverwant in de eerste graad van de belastingplichtige", welke termen (wat de neergaande lijn betreft) op een - eigen - kind van de belastingplichtige zien, mede op een pleegkind van de belastingplichtige betrekking heeft.
Met het voorgaande is nog niet gegeven dat ook een stiefkind onder de uitzondering van artikel 1.2, derde lid, onderdeel a, Wet IB 2001 valt. Ik acht echter ongerijmd dat wat zou gelden voor een pleegkind, dat met de belastingplichtige geen juridische betrekkingen heeft, niet ten minste ook zou gelden voor een stiefkind, dat aanverwant van de belastingplichtige is. Daarbij ware mede in aanmerking te nemen dat een stiefkind in het gezin van de stiefouder niet een mindere verzorging en opvoeding zal ontvangen dan een pleegkind en dat een stiefkind in die zin in beginsel ook als pleegkind kwalificeert. Een en ander klemt temeer, nu het kindbegrip van de Wet IB 2001 kennelijk is bedoeld als een aanvulling (met het pleegkind) op het hierna te bespreken kindbegrip van de Awr, dat vanaf zijn introductie het stiefkind ("eerstegraads (…) aanverwant in de neergaande lijn") mede omvat.
3.15 Tot de hierna nog te noemen wetswijziging per 1 januari 2011 bevatte de Awr geen partnerbegrip. Wel was daarin sedert 1 januari 1998 in artikel 2, derde lid, een (bij de heffing van rijksbelastingen geldende) definitie van het begrip "kind" opgenomen: "i. kind: eerstegraads bloedverwant en aanverwant in de neergaande lijn." De bepaling, die werd geïntroduceerd bij de Wet van 17 december 1997 tot aanpassing van wetgeving aan de invoering van het geregistreerd partnerschap in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (Aanpassingswet geregistreerd partnerschap),
(zie noot 15)is als volgt toegelicht:
3.16 Bij de Wet van 23 december 2009 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale vereenvoudigingswet 2010), aangevuld bij de Wet van 23 december 2010 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2011),
(zie noot 16)is aan de Awr met ingang van 1 januari 2011 een definitie van het begrip partner toegevoegd. Die definitie luidt aldus:
1. Als partner wordt aangemerkt:
a. de echtgenoot;
b. de ongehuwde meerderjarige persoon waarmee de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige een notarieel samenlevingscontract is aangegaan en met wie hij staat ingeschreven op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende administratie buiten Nederland.
(…)
5. Een persoon kan op enig moment slechts één partner hebben. Ingeval een persoon meer dan één echtgenoot heeft, wordt alleen de echtgenoot uit de oudste verbintenis als partner aangemerkt. Bij meer dan één notarieel samenlevingscontract, wordt alleen het oudste samenlevingscontract in aanmerking genomen. Een notarieel samenlevingscontract met meer dan één persoon, wordt niet in aanmerking genomen.
(…)."
1. In aanvulling op artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede verstaan degene die op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en:
a. uit wiens relatie met de belastingplichtige een kind is geboren;
b. die een kind van de belastingplichtige heeft erkend dan wel van wie een kind door de belastingplichtige is erkend;
c. die voor de toepassing van een pensioenregeling als partner van de belastingplichtige is aangemeld, of
d. die samen met de belastingplichtige een woning heeft, die hun anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van eigendom, waaronder begrepen economisch eigendom, of op grond van een recht van lidmaatschap van een coöperatie.
(NB: per 1 januari 2012 zou de punt achter deze bepaling worden vervangen door «, of» en zou als onderdeel e worden toegevoegd: "die in het aan het kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar reeds partner van de belastingplichtige was."
(zie noot 17))
(…)
3. Een persoon kan op enig moment slechts één partner hebben. Indien de belastingplichtige op grond van het eerste lid op dat moment meer dan één partner zou hebben, geldt als partner van de belastingplichtige degene die ingevolge artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op dat moment als partner wordt aangemerkt; mocht op grond van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op dat moment geen persoon als partner zijn aangemerkt, geldt als partner degene die op grond van de in het eerste lid eerstgenoemde categorie als partner wordt aangemerkt.
4. In afwijking van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het eerste lid wordt niet als partner aangemerkt:
a. een bloedverwant in de eerste graad van de belastingplichtige, tenzij beiden bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt;
b. een persoon die geen inwoner is van Nederland en niet kiest voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige.
(…)"
1. Partner van de belanghebbende is degene die ingevolge artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als partner wordt aangemerkt. Artikel 2, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.
2. In aanvulling op het eerste lid wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede verstaan degene die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en:
a. uit wiens relatie met de belanghebbende een kind is geboren;
b. die een kind van de belanghebbende heeft erkend dan wel van wie een kind door de belanghebbende is erkend;
c. die voor de toepassing van een pensioenregeling als partner van de belanghebbende is aangemeld;
d. die samen met de belastingplichtige een woning heeft, die hun anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van eigendom, waaronder begrepen economisch eigendom, of op grond van een recht van lidmaatschap van een coöperatie;
e. voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor het berekeningsjaar wordt aangemerkt als partner van de belanghebbende, of
f. die in het aan het berekeningsjaar voorafgaande kalenderjaar reeds partner van de belanghebbende was.
(…)
4. Een belanghebbende kan op enig moment slechts één partner hebben. Indien de belanghebbende op grond van het tweede lid op dat moment meer dan één partner zou hebben, geldt als partner van de belanghebbende degene die ingevolge artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op dat moment als partner wordt aangemerkt; mocht op grond van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op dat moment geen persoon als partner zijn aangemerkt, geldt als partner degene die op grond van de in het tweede lid eerstgenoemde categorie als partner wordt aangemerkt.
5. In afwijking van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelasting en het tweede lid wordt niet als partner aangemerkt, een bloedverwant in de eerste graad van de belanghebbende, tenzij beiden bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt."
(zie noot 18)Wel trad reeds op 1 januari 2011 een kleine wijziging in het oorspronkelijke artikel 3 Awir Pro in werking: in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, onder 1o werd de zinsnede "kiest voor kwalificatie als partner" vervangen door: "wordt aangemerkt als partner".
(zie noot 19)
(zie noot 20)Onderdeel daarvan was het stroomlijnen van het partnerbegrip:
(zie noot 21)
Het kabinet stelt voor om het partnerbegrip te stroomlijnen. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) wordt een basispartnerbegrip opgenomen. In de afzonderlijke heffingswetten kan het basispartnerbegrip worden uitgebreid of kunnen de voorwaarden worden aangevuld. De keuzeregeling voor de inkomstenbelasting vervalt daarbij. Deze levert onder meer problemen op bij de voorinvulling van de aangifte. Het partnerbegrip voor de inkomstenbelasting en toeslagen wordt geharmoniseerd. Deze wijzigingen dragen bij aan duidelijker regelgeving en een vermindering van administratieve lasten voor burgers."
(zie noot 22)
3.21 De in beide zaken spelende problematiek van het als partner kwalificerende stiefkind vindt naar mijn mening niet zozeer haar grondslag in de Fiscale vereenvoudigingswet 2010, als wel in de Wet van 22 december 2011 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2012).
(zie noot 23)Bij die laatste wet is de bij de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 gewijzigde omschrijving van het partnerbegrip in artikel 1.2, eerste lid, Wet IB 2001 en artikel 3, tweede lid, Awir opnieuw gewijzigd.
(zie noot 24)Kern van die wijziging was (met dienovereenkomstige aanpassing en verlettering van andere onderdelen) het tussenvoegen van een nieuw onderdeel e, luidende:
(zie noot 25)Daarin werd aandacht gevraagd voor de achteruitgang in inkomen door misgelopen heffingskortingen, lagere toeslagen en overige inkomensafhankelijke regelingen, waartoe in een aantal gevallen het aangaan van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap zou leiden. In de motie werd aangedrongen op een inventarisatie van alle gevallen waarin belastingen, toeslagen en andere inkomensafhankelijke regelingen de zuiverheid van de keuze zouden kunnen beïnvloeden. Voorts werd de regering verzocht met voorstellen te komen om al deze knelpunten weg te nemen, zodat er geen sprake meer zou zijn van "een trouwtax of scheidingsbonus". Met de hierboven bedoelde wijziging werd aan de motie tegemoetgekomen. In de memorie van toelichting bij de Overige fiscale maatregelen 2012 werd daarover opgemerkt:
(zie noot 26)
Bij de parlementaire behandeling van de invoering van het partnerbegrip bij de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 heeft de Tweede Kamer aandacht gevraagd voor de situatie van ongehuwd samenwonenden die kinderen in hun gezin hebben uit een andere relatie, de zogenaamde «samengestelde gezinnen». Gebleken is dat deze gezinnen ten opzichte van andere gezinnen met kinderen een aanzienlijk voordeel kunnen genieten in het geval niet aan één van de bestaande partnercriteria wordt voldaan. Dit voordeel bleek zich vooral voor te doen bij de kindgerelateerde toeslagen en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het kabinet heeft toegezegd om een oplossing te vinden voor deze situatie. Hiertoe stelt het kabinet voor om aan de bestaande partnercriteria een nieuw criterium toe te voegen op grond waarvan ongehuwd samenwonenden ook als partners worden aangemerkt indien zij samen met een kind van een van beiden op hetzelfde adres in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) staan ingeschreven. Deze aanvulling vindt mede naar aanleiding van de moties Omtzigt c.s. plaats. Om ongewenste effecten te voorkomen wordt een tegenbewijsregeling opgenomen voor de situatie waarin sprake is van (onder)huur."
(zie noot 27)
3.24 Van de latere wijzigingen noem ik nog slechts die, welke bij Wet van 18 december 2013 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2014) werden aangebracht.
(zie noot 28)Voor zover de bij die wet aangebrachte wijzigingen artikel 3 Awir Pro betroffen, hielden zij in dat (i) in het tweede lid, onderdeel d, de term "belastingplichtige" werd vervangen door "belanghebbende", (ii) in het tweede lid, onderdeel e, het woord "waarbij" werd vervangen door de zinsnede "die evenals de belanghebbende meerderjarig is, waarbij", en (iii) in het vijfde lid "Algemene wet inzake rijksbelasting" werd vervangen door "Algemene wet inzake rijksbelastingen".
(zie noot 29)
In aanvulling op het basispartnerbegrip van de AWR zijn in de Wet IB 2001 en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) nadere partnercriteria voor de inkomstenbelasting respectievelijk voor de toeslagen opgenomen. Met ingang van 1 januari 2012 is naar aanleiding van de motie Omtzigt c.s. dit partnerbegrip verder aangevuld. Doel van deze motie was om samenwonenden in samengestelde gezinnen verplicht als partner te laten kwalificeren, omdat deze anders een financieel voordeel zouden genieten ten opzichte van gehuwden. Daarom is met ingang van 1 januari 2012 voor de inkomstenbelasting en de toeslagen geregeld dat onder partner van de belanghebbende (mede) wordt verstaan degene die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste één van beiden staat ingeschreven.
(zie noot 30)Voorts blijkt daaruit dat de intentie van de wetgever niet was om het partnerbegrip met de bepaling verder uit te breiden dan tot de met gehuwden vergelijkbare, maar ongehuwd samenwonenden, met ten minste één minderjarig kind van één van beiden uit een vorige relatie,
(zie noot 31)die om fiscale of met toeslagen verband houdende redenen aan een ongehuwd samenleven de voorkeur boven een huwelijk geven. De wetgever, die blijkens de geciteerde passage ervan is uitgegaan dat met artikel 3, vijfde lid, Awir de positie van bloedverwanten in de eerste graad en van pleegkinderen als "niet-partner" reeds was veilig gesteld (hetgeen overigens bevestigt dat de kinddefinitie van artikel 4, eerste lid, in fine, Awir mede van toepassing is op de in artikel 3, vijfde lid, Awir vervatte uitzondering op het partnerbegrip), heeft met de bedoeling van de samengesteld-gezinbepaling kennelijk onverenigbaar geacht dat kinderen (hier in de betekenis van minderjarigen zonder de bedoelde betrekkingen tot de volwassene die op hetzelfde woonadres staat ingeschreven), automatisch als partner van de op hetzelfde woonadres ingeschreven volwassene zouden kwalificeren. Kennelijk was de wetgever van oordeel dat het samenwonen van een kind (een minderjarige) met een volwassene met ten minste één minderjarig kind, in het algemeen niet geldt als de met een huwelijk vergelijkbare vorm van samenleven waarvoor de samengesteld-gezinbepaling is bedoeld.
(zie noot 32)In de context van artikel 3, tweede lid, onderdeel e, Awir heeft de wetgever kennelijk een tot op zekere hoogte vergelijkbare redenering gevolgd: de bepaling is slechts bedoeld voor het geval dat de persoon die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven en die belanghebbende, beiden als het ware in de "ouderrol", een samengesteld gezin vormen. Kinderen (in de zin van minderjarigen) komen naar het oordeel van de wetgever kennelijk in het algemeen niet voor het vervullen van die "ouderrol" in het samengestelde gezin in aanmerking.
Meer in het algemeen kan gelden dat de wetgever met het hanteren van een partnerbegrip steeds het oog heeft gehad op twee volwassenen die een relatie zijn aangegaan, hetzij in de vorm van een huwelijk, hetzij in de vorm van een geregistreerd partnerschap, hetzij in een niet geregistreerd partnerschap, waarbij zij blijk geven voor elkaar zorg te dragen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 september 2009 juist op dát aspect getoetst, om te beoordelen of het een onder artikel 26 IVBPR Pro ontoelaatbaar onderscheid is dat voor toepassing van de Wet werk en bijstand ongehuwd samenwonenden uit wier relatie ooit een kind is geboren wél als partners gelden, en ongehuwd samenwonenden uit wier relatie geen kinderen zijn geboren, niet, althans niet zonder meer.
(zie noot 33)De Hoge Raad oordeelde dat van een ontoelaatbaar onderscheid geen sprake is:
Als ervan wordt uitgegaan dat stiefkinderen niet onder de exceptie van artikel 3, vijfde lid, Awir in samenhang met artikel 4, eerste lid, Awir vallen, hebben de Overige fiscale maatregelen 2014 wel tot gevolg gehad, dat althans minderjarige stiefkinderen van het partnerbegrip van de Awir zijn uitgezonderd.
Het tekent overigens de ontoereikendheid van de oorspronkelijke samengesteld-gezinbepaling dat zij ertoe leidde dat een minderjarig stiefkind, ongeacht zijn leeftijd, automatisch als partner had te gelden als het op hetzelfde woonadres was ingeschreven als de stiefouder en ten minste één minderjarig kind van de stiefouder (dat op grond van de kindbepaling van artikel 4 Awir Pro ook zeer wel een ander stiefkind of een pleegkind kon zijn). In het geval van twee inwonende, minderjarige stiefkinderen hadden, naar de letter van de oorspronkelijke samengesteld-gezinbepaling, dan overigens beide stiefkinderen als partner van de stiefouder te gelden, zonder dat artikel 3, vierde lid, Awir, voor die samenloop een oplossing bood.
1°. in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont,
2°. op grond van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of artikel 3, tweede lid, onderdeel e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen partner is van de ouder, en
3°. bloed- of aanverwant is van de ouder in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn."
(zie noot 34)
(zie noot 35)Naar mijn mening moet deze passage aldus worden gelezen dat met de bedoelde verbeteringen zoals vervat in de Overige fiscale maatregelen 2014 geen inhoudelijke wijzigingen zijn bedoeld ten opzichte van de betrokken bepalingen zoals vastgesteld bij de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 en dat de passage derhalve géén betrekking heeft op een vergelijking van de vóór respectievelijk ná 1 januari 2013 geldende partnerregeling.
(zie noot 36)
(zie noot 37)de Algemene Ouderdomswet (AOW),
(zie noot 38)de Algemene nabestaandenwet (Anw),
(zie noot 39)de IOAW
(zie noot 40)en de IOAZ.
(zie noot 41)
(zie noot 42)en de IOAZ.
(zie noot 43)
(zie noot 44)In de Akw en de daarop berustende bepalingen wordt onder kind verstaan een eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind.
(zie noot 45)
(zie noot 46)De aanleiding daartoe vormde de motie Willemse-van der Ploeg.
(zie noot 47)Daarin werd de regering gevraagd te onderzoeken of een gelijkstelling mogelijk is van AOW-gerechtigden met inwonende meerderjarige pleegkinderen en AOW-gerechtigden met "eigen" kinderen. De motie luidde als volgt:
constaterende, dat een alleenstaande AOW’er in de regel een AOW-uitkering van 70% van het netto-minimumloon ontvangt en het hebben van inwonende kinderen - ongeacht hun leeftijd - hier geen invloed op heeft;
constaterende, dat het hebben van een inwonend pleegkind ouder dan 18 jaar wel invloed heeft op de hoogte van het AOW-pensioen van een alleenstaande, waardoor de AOW op 50% in plaats van op 70% gesteld wordt;
verzoekt de regering te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om AOW-gerechtigden met inwonende pleegkinderen ouder dan 18 jaar die tot dan toe onder het geregistreerd pleegouderschap vielen op eenzelfde wijze te behandelen als AOW-gerechtigde ouders met inwonende eigen kinderen, (…)."
(zie noot 48)
Aanvankelijk had de wetgever ervoor gekozen om in de sociale zekerheid zowel de bloedverwanten in de eerste graad als die in de tweede graad van het partnerbegrip uit te zonderen. Daarvan is de wetgever echter teruggekomen bij de Wet van 21 december 1995 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en enkele andere wetten,
(zie noot 49)omdat voor een uitzondering van de bloedverwanten in de tweede categorie geen objectieve rechtvaardigingsgrond zou bestaan. In de memorie van toelichting bij de genoemde wet werd daarover opgemerkt:
(zie noot 50)
(…)
De achterliggende gedachte bij deze maatregel is dat voor deze uitzondering voor bloedverwanten in de tweede graad geen objectieve rechtvaardigingsgrond is aan te geven. Zij verkeren wat betreft hun behoeften en draagkracht niet in een andere positie dan andere ongehuwd samenwonenden.
Het bestaan van de huidige uitzonderingsbepaling kan niet worden verklaard op basis van inhoudelijke argumenten maar moet worden bezien in de historische context. De huidige partnerdefinitie, waarvan de uitzonderingsbepaling deel uit maakt, is ten tijde van de stelselwijziging sociale zekerheid, bij amendement van de kamerleden Kraaieveld-Wouters en Linschoten in de sociale zekerheidswetten opgenomen ter vervanging van de door de regering voorgestelde definitie.
(…)
De formulering die vervolgens in het amendement is gekozen voor het partnerbegrip was echter dusdanig dat daaruit geen uitzonderingspositie voor bloedverwanten kon worden afgeleid. (…) Om de uitzonderingspositie voor bloedverwanten te handhaven is vervolgens gekozen voor een expliciete uitzondering voor bloedverwanten in de eerste en tweede graad. Ook tijdens de parlementaire behandeling is reeds geconstateerd dat de uitzondering voor bloedverwanten in de tweede graad «inderdaad niet noodzakelijk is». De uitzondering is alleen opgenomen omdat «wij niet beogen met dit amendement een wezenlijke verandering in de groepen aan te brengen die de staatssecretaris met zijn voorstel op het oog heeft».
Achteraf moet worden geconstateerd dat deze uitzonderingsbepaling, vanwege het ontbreken van objectieve rechtvaardigingsgronden, feitelijk een inconsistentie is binnen het stelsel van sociale zekerheid.
De regering is daarom van oordeel dat het alleszins gerechtvaardigd is om een einde te maken aan de bevoordeling van bloedverwanten in de 2e graad ten opzichte van andere ongehuwd samenwonenden."
(zie noot 51)
(zie noot 52)Deze uitspraken zijn echter achterhaald door de wetswijziging van 2009. In het licht van de inmiddels door de wetgever in de sociale zekerheidswetten noodzakelijk geachte en gerealiseerde gelijkstelling van onder meer stiefkinderen (die in aanverwantschap staan met hun stiefouder) en bloedverwanten van de eerste graad in neergaande lijn, mag worden aangenomen dat de CRvB een onderscheid tussen beide categorieën niet langer objectief en redelijk gerechtvaardigd zal achten.
(zie noot 53)
(zie noot 54)Aan artikel 14 kan Pro alleen worden getoetst in samenhang met een van de in het EVRM genoemde rechten en vrijheden.
(zie noot 55)
2. Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name, een van de in het eerste lid vermelde gronden."
(zie noot 56)
1. Is sprake van een voor toepassing van artikel 14 EVRM Pro relevant onderscheid?
2. Zo ja, betreft dat onderscheid vergelijkbare gevallen (vergelijkbaarheidstoets)?
3. Zo ja, bestaat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling (rechtvaardigingstoets):
a) is er sprake van een gerechtvaardigd doel;
b) is het middel geschikt voor het bereiken van dit doel; en
c) bestaat er een redelijke verhouding tussen doel en middel?
(zie noot 57)
(zie noot 58)Anderzijds is pas sprake van vergelijkbare gevallen in de zin van artikel 14 EVRM Pro, indien de gevallen relevante overeenkomsten vertonen (relevantly similar situation).
(zie noot 59)Afgezien van de verplichting van de alleenstaande "eigen" ouder om te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van het meerderjarige "eigen" kind dat de leeftijd van 21 jaren niet heeft bereikt,
(zie noot 60)geldt de onderhoudsplicht van die ouder slechts in geval van behoeftigheid van het "eigen" meerderjarige kind.
(zie noot 61)Een "eigen" kind is verplicht tot het (zo nodig) verstrekken van levensonderhoud aan de "eigen" ouder.
(zie noot 62)Een dergelijke verplichting van het stiefkind jegens de stiefouder bestaat niet. In de relatie tussen een alleenstaande "eigen" ouder en een meerderjarig "eigen" kind geldt over en weer dus eerder een alimentatieaanspraak dan in de verhouding tussen een alleenstaande stiefouder en een meerderjarig stiefkind (wat een natuurlijke verbintenis ter zake overigens niet uitsluit). Dat is echter geen argument om het meerderjarige "eigen" kind eerder dan het stiefkind van het partnerbegrip van de Awir uit te zonderen. Integendeel, juist de omstandigheid dat tussen de "eigen" (alleenstaande) ouder en het "eigen" meerderjarige kind eerder over en weer alimentatieaanspraken zullen bestaan dan tussen de alleenstaande stiefouder en het stiefkind, lijkt mij te rechtvaardigen dat in de verhouding tussen alleenstaande "eigen" ouder en inwonend meerderjarig "eigen" kind ook eerder dan in de verhouding tussen alleenstaande stiefouder en inwonend meerderjarig stiefkind bij de bepaling van aanspraken op toeslagen van beider inkomen wordt uitgegaan.
(zie noot 63)De zaak betrof het partnerbegrip van de Wet werk en bijstand, maar een dergelijk onderscheid wordt eveneens gemaakt in - onder meer - artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 en artikel 3, tweede lid, onderdeel a, Awir.
De CRvB oordeelde in hoger beroep
(zie noot 64)dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest het onweerlegbare rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding van twee ongehuwd samenwonenden uit wier relatie een kind is geboren, temporeel onbegrensd te laten, ook in het geval dat het kind volwassen is geworden en zelfstandig in de maatschappij functioneert, zodat niet meer kan worden aangenomen dat het nog door zijn ouders wordt verzorgd. Naar het oordeel van de CRvB mocht daarom niet zonder nader onderzoek worden uitgegaan van een gezamenlijke huishouding van samenwonenden uit wier relatie een inmiddels meerderjarig kind is geboren.
In cassatie oordeelde de Hoge Raad anders. De Hoge Raad achtte het bedoelde onderscheid toelaatbaar, ook voor zover het ongehuwd samenwonenden betrof uit wier relatie een inmiddels meerderjarig kind was geboren. Dat gold volgens de Hoge Raad ongeacht de leeftijd van het kind (en dus ook ongeacht het al dan niet gelden van een wettelijke onderhoudsplicht jegens het kind). De Hoge Raad verwees in dit verband naar de conclusie van advocaat-generaal Van Ballegooijen, die in zijn conclusie onder meer had opgemerkt:
Voor het litigieuze onderscheid ontbreekt van de zijde van de wetgever echter iedere motivering, hetgeen waarschijnlijk zijn verklaring vindt in het feit dat de wetgever überhaupt niet heeft gewild en niet heeft beoogd een onderscheid te maken tussen stiefkinderen en "eigen" kinderen. Zoals hierna (onder 7) nader zal worden betoogd, zijn er eerder aanwijzingen voor het tegendeel.
(zie noot 65)besliste het EHRM dat de onderscheidingen in het Belgische afstammingsrecht tussen wettige en natuurlijke kinderen en tussen gehuwde en ongehuwde moeders discriminatoir zijn. Weliswaar is het onderscheid tussen natuurlijke en wettige kinderen niet hetzelfde als het onderscheid tussen stiefkinderen (aanverwanten) en in bloedverwantschap tot de betrokken ouder staande "eigen" kinderen, maar er zijn zeker parallellen. Bij de zaak Marckx moet allereerst worden bedacht dat het onwettige kind naar het destijds geldende Belgische afstammingsrecht niet van rechtswege in familierechtelijke betrekking tot de moeder stond en dat, wat het Nederlandse recht betreft, ook de Hoge Raad eerst na het arrest Marckx een ruim begrip bloedverwantschap heeft aanvaard dat ook buitenhuwelijkse bloedverwantschap omvatte.
(zie noot 66)In die zin betrof ook de zaak Marckx een ongelijke behandeling van reeds wel en nog niet als bloedverwanten van hun ouder(s) beschouwde kinderen. In de tweede plaats moet worden bedacht dat de Marckx-jurisprudentie onder meer blijkens de zaak Fabris ook kan doorwerken in een ongelijke behandeling van het onwettige kind en diens half-broers en half-zusters.
(zie noot 67)In de zaak Fabris oordeelde het EHRM onder verwijzing naar de zaak Marckx dat de Franse staat in gebreke was gebleven met de gelijkstelling van halfbroer(s) en halfzuster(s) met broers en zussen. Ook de samengesteld-gezinbepaling kan leiden tot een ongelijke behandeling van het meerderjarige stiefkind ten opzichte van een inwonend meerderjarig eigen kind van de stiefouder (halfbroer of halfzuster van het stiefkind), nu dat laatste kind (ook al is het ouder dan het stiefkind), niet als toeslagpartner van zijn ouder zal gelden.
7.1 Vanaf de inwerkingtreding van de Awir zonderde artikel 3 van Pro die wet het meerderjarige stiefkind uit van het partnerschap zoals dat gold voor de meerderjarige die gedurende enige tijd onafgebroken met een andere meerderjarige met wie hij op hetzelfde woonadres stond ingeschreven, een gezamenlijke huishouding voerde. Sedert 1 januari 2013 is het meerderjarige stiefkind, althans naar de letter van de wet, niet meer aan het partnerbegrip van de Awir onttrokken. Er zijn echter goede gronden om aan te nemen dat de wetgever niet heeft beoogd het stiefkind alsnog binnen het bereik van het partnerbegrip van de Awir te brengen.
Er is geen enkele aanwijzing dat de wetgever zich ervan rekenschap heeft gegeven of in verband met de nieuwe samengesteld-gezinbepaling de algemene, bij de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 geïntroduceerde uitzondering op het partnerbegrip van de Awir nog volstond met het oog op de positie van het inwonende, meerderjarige stiefkind, maar ook dat is niet geheel onverklaarbaar. De samengesteld-gezinbepaling heeft een duidelijke strekking, te weten te voorkomen dat twee samenwonende partners met een minderjarig kind van één van beiden voor een ongehuwd samenwonen kiezen om (in de woorden van de motie Omtzigt) een "trouwtax" te ontlopen. De bepaling is niet erop gericht (mede) tot partnerschap te leiden van een meerderjarig stiefkind, jonger dan 27 jaar, dat bij zijn stiefouder en diens minderjarig kind inwoont. Dat geldt temeer, nu de bepaling op een gelijke behandeling van samengestelde gezinnen en traditionele gezinnen is gericht. Het zou immers juist tot een ongelijke behandeling leiden van eenoudergezinnen met een inwonend meerderjarig stiefkind en eenoudergezinnen met een inwonend meerderjarig "eigen" kind, als het meerderjarige stiefkind, anders dan het meerderjarige eigen kind (dat, mits jonger dan 27 jaar, van de algemene uitzondering van artikel 3, vijfde lid, Awir kan profiteren), binnen het bereik van de samengesteld-gezinbepaling zou vallen. Naar ik meen is de samengesteld-gezinbepaling reeds naar haar strekking niet op het inwonende meerderjarige stiefkind toepasbaar.
Aan het voorgaande doet niet af dat aan de samengesteld-gezinbepaling dusdanig vorm is gegeven dat zij (althans naar de letter) tot onbedoelde effecten kan leiden. Ook de wetgever heeft dat laatste (weliswaar op een ander punt) onderkend. De samengesteld-gezinbepaling is in de Overige fiscale maatregelen 2014 immers aldus aangepast, dat thans buiten twijfel staat dat het inwonen van een minderjarige (ook een minderjarige zonder verwantschap met de belanghebbende) niet tot een partnerschap leidt.
(zie noot 68)Opmerkelijk is voorts de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de gelijkstelling binnen de sociale zekerheid van voormalige pleeg- en stiefkinderen met eigen kinderen. In dat kader is in tal van sociale zekerheidswetten, in plaats van daarin (wat het begrip stiefkind betreft) het begrip "aanverwant" naast het begrip "bloedverwant" te introduceren, de omschrijving van het begrip "bloedverwant" verruimd, in die zin dat onder bloedverwant in de eerste graad mede wordt verstaan een meerderjarig aangehuwd kind (of een meerderjarig voormalig pleegkind) van de ongehuwde meerderjarige.
(zie noot 69)
(zie noot 70)
7.7 Van de partnerregelingen in het belastingrecht is vooral de partnerregeling van de Wet IB 2001 van belang, nu die regeling als uitgangspunt heeft gediend voor het partnerbegrip van de Awir. Een verschil tussen de partnerregeling van de Wet IB 2001 (zoals die oorspronkelijk luidde) en die van de Awir was dat de uitzonderingsbepaling van de Wet IB 2001 in artikel 1.2, derde lid, onderdeel a, slechts de bloedverwant in de eerste graad van de belastingplichtige betrof. Daar staat echter tegenover dat de Wet IB 2001 een ruim en algemeen toepasselijk kindbegrip kent ("Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een kind mede verstaan een pleegkind, ook wat betreft bloed- en aanverwantschap.") én dat de uitzonderingsbepaling van artikel 1.2, derde lid, onderdeel a, Wet IB 2001 aldus is toegelicht dat "(e)en kind jonger dan 27 jaar (…) voor alle bepalingen (geldt) als kind, en nimmer als partner."
(zie noot 71)Als hieruit niet al volgt dat de wetgever van de Wet IB 2001 stiefkinderen tot de uitgezonderde bloedverwanten in de eerste graad heeft gerekend, geldt ook hier dat onmogelijk kan worden aangenomen dat stiefkinderen niet ten minste aanspraak op een behandeling gelijk aan die van pleegkinderen kunnen maken, nu zij als aanverwanten dichter dan pleegkinderen bij de uitgezonderde categorie van bloedverwanten in de eerste graad van de belastingplichtige staan.
In het bijzonder als gevolg van de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 en de latere wetgeving zijn de partnerregeling van de Awir en die van de Wet IB 2001 thans nagenoeg gelijkluidend.
Er is mijns inziens geen grond om aan te nemen dat de positie van het stiefkind, nu of in het verleden, onder beide regelingen zou verschillen. Rechtspraak van de fiscale rechter die dit zou bevestigen, is mij echter niet bekend.
Wel relevant is de sedert 1 januari 1998 in artikel 2 lid 3 onder Pro i Awr opgenomen (en bij de heffing van rijksbelastingen geldende) definitie van het begrip "kind" als "eerstegraads bloedverwant en aanverwant in de neergaande lijn". Die definitie geeft extra reliëf aan hetgeen hiervóór (onder 7.7) reeds over de status van stiefkinderen onder de Wet IB 2001 werd opgemerkt, nu het kindbegrip van die laatste wet kennelijk niet ertoe strekt het kindbegrip van de Awr in te perken, maar dat begrip juist met het begrip pleegkind uit te breiden.
7.9 In de sociale zekerheid zijn voormalige pleegkinderen en stiefkinderen in 2009 met eigen kinderen gelijkgesteld. Voor de onderhavige zaken acht ik in het bijzonder van belang dat de wetgever daaraan ten grondslag heeft gelegd dat een kenmerk van gezinnen is dat ouders en kind in een ouder-kind relatie staan met een gezags- en een afhankelijkheidscomponent, dat beide componenten niet wezenlijk veranderen op het moment dat het kind meerderjarig wordt, dat het niet logisch is ouder en kind vanaf dat moment als gelijkwaardige partners te zien, dat daarom dient te worden bepaald dat een alleenstaande ouder geen gezamenlijke huishouding met zijn meerderjarige eigen kind kan voeren en - last but not least - dat dit een en ander óók geldt voor pleeg- en stiefkinderen.
7.12 Het vorenstaande leidt mij tot de conclusie dat de samengesteld-gezinbepaling aldus moet worden uitgelegd, dat zij niet van toepassing is in het geval dat een meerderjarig stiefkind bij zijn meerderjarige stiefouder en een minderjarig kind van die stiefouder inwoont, tenzij stiefkind en stiefouder beiden bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt. Althans meen ik dat in een dergelijk geval de uitzonderingsbepaling van artikel 3, vijfde lid, Awir in samenhang met artikel 4, eerste lid, Awir van toepassing is.
7.15 In aanvulling op hetgeen reeds over de gevolgen van de partnerregelingen, nu en in het verleden, is opgemerkt, teken ik nog aan dat van de zijde van de Belastingdienst/Toeslagen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is aangegeven dat de in de onderhavige zaken te nemen beslissing althans in de sfeer van de toeslagen niet in een groot aantal andere zaken zal doorwerken en dat de betekenis daarvan dus beperkt zal zijn.
Staatsraad Advocaat-Generaal