ECLI:NL:CRVB:2006:AU9488

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/3823 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling gezamenlijke huishouding tussen grootouder en kleinzoon in het kader van AOW-uitkering

In deze zaak gaat het om de beoordeling van de gezamenlijke huishouding tussen een grootmoeder, [betrokkene], en haar kleinzoon, die door haar is opgevoed als haar eigen kind. [betrokkene] ontving een ouderdomspensioen op basis van de Algemene Ouderdomswet (AOW), dat na het overlijden van haar echtgenoot in 2001 was herzien naar een alleenstaande norm. De Sociale Verzekeringsbank had in 2003 vastgesteld dat [betrokkene] met haar kleinzoon een gezamenlijke huishouding voerde, wat leidde tot een herziening van haar pensioen naar de norm voor een gezamenlijke huishouding. De erven van [betrokkene] hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht, die het bezwaar tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank ongegrond had verklaard.

De Centrale Raad van Beroep heeft de feiten en omstandigheden van de zaak in overweging genomen. De Raad oordeelt dat de relatie tussen [betrokkene] en haar kleinzoon niet gelijkgesteld kan worden met die van ouder en kind voor de toepassing van de AOW. De wetgeving voorziet in een uitzondering voor bloedverwanten in de eerste graad, maar de Raad concludeert dat de wederzijdse afhankelijkheid tussen [betrokkene] en haar kleinzoon niet vergelijkbaar is met die tussen bloedverwanten in de eerste graad. De Raad wijst erop dat de vader van de kleinzoon een wettelijke onderhoudsplicht had en dat er geen bewijs is dat hij uit het ouderlijk gezag was ontheven.

De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat het hoger beroep van de erven van [betrokkene] niet slaagt. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak is gedaan op 10 januari 2006, waarbij de Raad de eerdere beslissing van de rechtbank bevestigt.

Uitspraak

04/3823 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
De erven van [betrokkene] betrokkene], appellanten,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens [naam betrokkene] (hierna: [betrokkene]) heeft mr. ing. J.J. Patelski, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 juni 2004, reg.nr. 04/84 AOW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 4 mei 2005 heeft mr. Patelski de Raad meegedeeld dat [betrokkene] [in] 2005 is overleden, waarna haar geding ten name van de erven is voortgezet.
Het geding is behandeld ter zitting van 29 november 2005, waar voor appellanten is verschenen mr. Patelski, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. K.C.M. van Engelenhoven, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
[betrokkene] ontving een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), dat na het overlijden van haar echtgenoot [in] 2001 met ingang van 1 december 2001 is herzien naar een ouderdomspensioen voor een alleenstaande.
Gedaagde heeft na onderzoek van de woon- en leefsituatie in maart 2003 vastgesteld dat [betrokkene] met haar kleinzoon
[naam kleinzoon] een gezamenlijke huishouding voerde. Deze kleinzoon is na de scheiding van de zoon van [betrokkene] in 1968 op 4-jarige leeftijd bij [betrokkene] gaan wonen, en woonde daar ten tijde in geding nog steeds. [betrokkene] heeft volgens appellanten haar kleinzoon verzorgd en opgevoed als een eigen zoon. Bij besluit van 1 juli 2003 heeft gedaagde, voorzover van belang, het ouderdomspensioen van [betrokkene] met ingang van 1 januari 2002 herzien naar de norm voor een persoon die een gezamenlijke huishouding voert met een andere meerderjarige persoon.
Bij besluit van 22 december 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 1 juli 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 22 december 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellanten hebben in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden. Daartoe is - samengevat - naar voren gebracht dat de relatie tussen [betrokkene] en haar kleinzoon er een was zoals die bestaat tussen ouder en kind. Nu in de AOW op de gelijkstelling met gehuwden van twee ongehuwden die een gezamenlijke huishouding voeren een uitzondering is opgenomen met betrekking tot bloedverwanten in de eerste graad, dient deze uitzondering naar het oordeel van appellanten ook voor [betrokkene] en haar kleinzoon te gelden.
Gedaagde heeft gepersisteerd bij zijn in het bestreden besluit neergelegde standpunt.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 1, derde lid, onder a, van de AOW wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige, die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.
Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de AOW, is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de feitelijke woon- en leefsituatie van [betrokkene] en de kleinzoon, zoals deze ten tijde in geding bestond, moet worden aangemerkt als het voeren van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW.
Met betrekking tot de grief van appellanten dat de relatie tussen [betrokkene] en haar kleinzoon voor de toepassing van de AOW op één lijn moet worden gesteld met die tussen ouder en kind is de Raad van oordeel dat, gelet op de voorhanden zijnde gegevens, appellanten daarin niet kunnen worden gevolgd. Hoewel de rol van de vader bij de opvoeding van zijn zoon
[naam zoon] niet geheel duidelijk is geworden - van de kant van appellanten kon daarover desgevraagd ter zitting evenmin helderheid worden verkregen - is niet gebleken noch gesteld dat de vader uit het ouderlijk gezag was ontheven. Dat [betrokkene] dagelijks het feitelijk gezag over haar kleinzoon uitoefende doet aan het vorenstaande niet af. Evenmin is bestreden dat de vader een wettelijke onderhoudsplicht ten opzichte van zijn zoon had. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat er sprake is van een wederzijdse afhankelijkheid tussen [betrokkene] en haar kleinkind die vergelijkbaar is met de wederzijdse afhankelijkheid tussen bloedverwanten in de eerste graad. Voor laatstbedoelde groep heeft de wetgever met name die wederzijdse afhankelijkheid van belang geacht voor de rechtvaardiging van de uitzondering op de gelijkstelling met gehuwden. Aan de omstandigheid dat de wetgever in de wetsgeschiedenis bij de wet van 21 december 1995,
Stb. 1995, 696, waarbij de uitzondering op de gelijkstelling met gehuwden van twee ongehuwden die een gezamenlijke huishouding voeren voor bloedverwanten in de tweede graad met ingang van 1 januari 1996 werd afgeschaft, als voorbeeld niet heeft genoemd de situatie van kleinkind en grootouders, kent de Raad niet die betekenis toe die appellanten daaraan gehecht willen zien, reeds omdat de door de wetgever wel genoemde voorbeelden geen limitatieve opsomming betreffen.
De omstandigheid dat de wetgever in artikel 3, zevende lid, van de Algemene nabestaandenwet (Anw) bepaalde aanverwanten met bloedverwanten in de eerste graad gelijk heeft gesteld, kan aan het vorenstaande geen afbreuk doen, reeds niet omdat de doelstelling en de doelgroep van deze wet verschillen van die van de AOW, en de wetgever kennelijk geen reden heeft gezien om deze gelijkstelling ook op te nemen in de AOW. De Raad voegt daaraan nog toe dat het voeren van een gezamenlijke huishouding in het algemeen in het kader van de Anw aan uitkering in de weg staat, terwijl dat in het kader van de AOW tot een lager pensioen leidt.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.