Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juli 2014 in de zaken tussen
Procesverloop
13.744
1) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
1beroep ingesteld.
13.745
2) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.
2beroep ingesteld.
Overwegingen
De partner van de belanghebbende is degene die hierna als eerste wordt genoemd:
1°. de bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belanghebbende;
2°. de bloed- of aanverwant in de tweede graad van de zijlijn van de belanghebbende gedurende de periode dat de belanghebbende op hetzelfde woonadres als zijn ouder staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.”
(…) wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede verstaan degene die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en:
(…).
Kamerstukken II2009/10, 32 130, nr. 3, p. 26 en p. 82-83):
5. Stroomlijnen partnerbegrip
Kamerstukken II2011/12, 33 004, nr. 3, p. 2-3 en p. 78-79):
2.1. Samengestelde gezinnen
(…) wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede verstaan degene die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en:
Kamerstukken II2013/14, 33 753, nr. 3, p. 13-14):
Verduidelijking partnerbegrip
Kamerstukken II2003/04, 29 762, nr. 3, p. 1-2). Bij het kindgebonden budget gaat het om een tegemoetkoming in de kosten van kinderen, die per huishouden en afhankelijk van de draagkracht wordt gegeven (zie
Kamerstukken II2006/07, 30 912, nr. 3, p. 2). Het partnerbegrip dat bij deze tegemoetkomingen een rol speelt, dient ter bepaling van de draagkracht, op basis waarvan de toeslagen in hoogte variëren al naar gelang het inkomen verschilt (zie artikel 7, eerste lid van de Awir).
Kamerstukken II2009/10, 32 130, nr. 3, p. 25). Het streven was daarbij gericht op het introduceren van objectieve criteria, aan de hand waarvan duurzame relaties zonder materiële beoordeling konden worden aangenomen (vgl.
Kamerstukken II2009/10, 32 130, nr. 3, p. 25-27 en
Kamerstukken II2009/10, 32 130, nr. 7, p. 28-29). Naar het oordeel van de rechtbank valt echter niet in te zien waarom het laten vervallen van de uitzondering voor stiefouders en stiefkinderen in dit streven past, temeer daar de partnerregeling zoals die tot dan toe had gegolden, juist een geobjectiveerd criterium (aanverwantschap) bevatte.
Kamerstukken II2009/10, 32 130, nr. 7, p. 28-29). De wetgever heeft echter geen acht geslagen op de situatie waarin eiser en eiseres zich bevinden sinds het overlijden van eisers biologische vader.
(1) dat rechtens een onderscheid wordt gemaakt tussen inwonende eigen kinderen (bloedverwanten) en inwonende stiefkinderen (aanverwanten) en hun (stief)ouders,
(2) dat een dergelijk onderscheid in 2013 is ingevoerd, zonder dat de wetgever daarbij een rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid heeft gegeven,
(3) dat niet valt in te zien dat een regeling die (mede) aanknoopt bij aanverwantschap in strijd zou zijn met doelstellingen van objectivering en vereenvoudiging, dan wel met andere redelijke argumenten, terwijl
(4) de potentiële financiële gevolgen voor de betrokken stiefouders en stiefkinderen, te weten het algeheel verlies van het recht op toeslagen, ingrijpend kunnen zijn,