ECLI:NL:HR:2009:BH2580
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- M.W.C. Feteris
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding en ongelijke behandeling bij Wet werk en bijstand
Belanghebbende ontving bijstand als alleenstaande na echtscheiding en woonde samen met zijn ex-partner, met wie hij drie meerderjarige kinderen had. Het Dagelijks Bestuur beëindigde de uitkering, waarna bezwaar en beroep volgden. De Centrale Raad van Beroep vernietigde het besluit wegens strijd met internationale verdragsbepalingen, maar de Hoge Raad vernietigt deze uitspraak en bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank.
De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 3, lid 4, aanhef en letter b, van de Wet werk en bijstand, dat een gezamenlijke huishouding aanneemt bij ex-partners met kinderen, ongeacht de leeftijd van die kinderen. De Centrale Raad vond deze regeling strijdig met artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro, maar de Hoge Raad oordeelt dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij sociale zekerheidsregelingen.
De Hoge Raad stelt dat het onderscheid tussen ex-partners met en zonder kinderen een redelijke en objectieve rechtvaardiging kent, namelijk het tegengaan van leefvormfraude en het bevorderen van wederzijdse verzorging. Er is geen sprake van verboden discriminatie. Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de Centrale Raad vernietigd en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het onderscheid in de Wet werk en bijstand geen verboden discriminatie vormt en vernietigt de uitspraak van de Centrale Raad.