ECLI:NL:RVS:2014:3777
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing ontheffing Flora- en faunawet voor steenuil en kerkuil in Baanstee-Noord
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Economische Zaken tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland die het besluit van de staatssecretaris vernietigde om ontheffing te weigeren voor het beschadigen of verstoren van de voortplantings- en verblijfplaatsen van de steenuil en kerkuil in het gebied Baanstee-Noord.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft meerdere malen geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende heeft voldaan aan de vereisten van artikel 75 van Pro de Flora- en faunawet, met name dat ontheffing slechts mag worden verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding en geen andere bevredigende oplossing bestaat. De staatssecretaris stelde dat de vaste rust- of verblijfplaatsen niet worden verstoord en dat alternatieve nestplaatsen zijn gecreëerd, maar de rechtbank en Afdeling oordeelden dat dit standpunt niet voldeed aan eerdere uitspraken.
Bij het besluit van 11 maart 2014 verklaarde de staatssecretaris het bezwaar opnieuw ongegrond, omdat de werkzaamheden waarvoor ontheffing was gevraagd niet op korte termijn zouden plaatsvinden. De Afdeling oordeelde dat dit standpunt gegrond was, omdat de ontheffing niet meer nodig was gezien de feitelijke situatie.
Verder behandelde de uitspraak verzoeken van de stichtingen om vaststelling van de verschuldigde dwangsommen wegens het niet tijdig nemen van besluiten. De Afdeling verklaarde zich onbevoegd om hierover te oordelen en stelde vast dat de staatssecretaris een maximale dwangsom van €1.260,00 verschuldigd is. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de dwangsom wegens niet tijdig beslissen wordt vastgesteld op €1.260,00.