ECLI:NL:RVS:2014:3343
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- N. Verheij
- D.J.C. van den Broek
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtsbijstand toevoeging bij bezwaarprocedure UWV
De zaak betreft een geschil over de weigering van de raad voor rechtsbijstand om een tweede toevoeging te verlenen aan appellant voor een bezwaarprocedure tegen een invorderingsbesluit van het UWV. De rechtbank Amsterdam vernietigde het besluit van de raad en oordeelde dat er sprake was van diversiteit van procedures, waardoor een tweede toevoeging mogelijk was.
De raad stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte het begrip 'procedure' uit het Besluit vergoedingen rechtsbijstand (Bvr) had betrokken en dat er geen sprake was van diversiteit van instanties, aangezien beide procedures bij het UWV liepen. Het incidenteel hoger beroep van appellant werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet binnen de gestelde termijn was ingesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde het hoger beroep van de raad in het gelijk en oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand had gelaten. De Afdeling verduidelijkte dat bij hetzelfde rechtsbelang slechts één toevoeging kan worden verstrekt, tenzij sprake is van procedures bij verschillende instanties. Hier betrof het bezwaarprocedures bij dezelfde instantie, het UWV.
De rechtsgevolgen van het besluit van 6 april 2012 blijven derhalve in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep van de raad gegrond verklaard, waarbij de rechtsgevolgen van het eerdere besluit in stand blijven.