ECLI:NL:RVS:2013:1917
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van vreemdelingenbewaring ondanks bezwaar over uitzetting naar Algerije
De vreemdeling was op 5 september 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees zijn verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De vreemdeling stelde dat eerdere bewaringen en het ontbreken van een laissez passer door de Algerijnse vertegenwoordiging maakten dat hij niet opnieuw in bewaring mocht worden gesteld zonder nieuw bewijs. Hij voerde aan dat de periode tussen bewaringen langer moest zijn dan de door de rechtbank gehanteerde periode van een jaar en drie weken.
De Raad van State oordeelde dat sinds de voorlaatste bewaring de Algerijnse vertegenwoordiging bereid was laissez passers af te geven aan vreemdelingen die vrijwillig terugkeren en waarvan identiteit en nationaliteit zijn vastgesteld. De staatssecretaris toonde aan dat diplomatiek overleg plaatsvindt om alsnog een laissez passer te verkrijgen, en dat de vreemdeling dit proces kan bespoedigen door vrijwillige terugkeer te verklaren.
De Raad concludeerde dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring bevestigd.