ECLI:NL:RVS:2013:1632

Raad van State

Datum uitspraak
23 oktober 2013
Publicatiedatum
23 oktober 2013
Zaaknummer
201211207/1/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WkoArt. 1a AwirArt. 5 WkoArt. 7 WkoArt. 18 Awir
Verwijzingen
5 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing kinderopvangtoeslag wegens onvoldoende bewijs kosten en overeenkomst

De Belastingdienst heeft het voorschot kinderopvangtoeslag over 2008 voor appellant herzien en op nihil gesteld. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij wel recht had op toeslag omdat de opvang plaatsvond op basis van een schriftelijke overeenkomst en dat hij kosten had gemaakt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de opvang op basis van een schriftelijke overeenkomst plaatsvond en dat hij kosten had gemaakt.

In hoger beroep stelde appellant dat hij met een fax van 7 juli 2008 aannemelijk had gemaakt dat de opvang vanaf die datum op basis van een schriftelijke overeenkomst plaatsvond. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat dit betoog slaagt en dat de rechtbank dit ten onrechte niet heeft meegewogen. De Afdeling beoordeelde vervolgens de overige beroepsgronden.

Appellant voerde aan dat hij met kwitanties, bankafschriften en een aangifte inkomstenbelasting van de gastouder had aangetoond dat hij kosten had gemaakt. De Afdeling stelde vast dat deze stukken onvoldoende bewijs vormen dat appellant daadwerkelijk kosten heeft gemaakt voor kinderopvang in de betreffende periode. De bankafschriften betroffen contante opnames uit 2006 en de aangifte van de gastouder toonde niet aan dat betalingen van appellant waren ontvangen.

De Afdeling concludeerde dat de Belastingdienst terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellant geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over de periode januari tot en met oktober 2008. Het hoger beroep werd gegrond verklaard vanwege de onjuiste motivering van de rechtbank over de schriftelijke overeenkomst, maar de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van de gronden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard maar de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd dat appellant geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over januari tot en met oktober 2008.

Uitspraak

201211207/1/A2.
Datum uitspraak: 23 oktober 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 oktober 2012 in zaken nrs. 11/5146 en 12/4498 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Belastingdienst/Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 5 januari 2012 heeft de Belastingdienst het aan [appellant] over het jaar 2008 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien en op nihil gesteld.
Bij besluit van 12 juni 2012 heeft de Belastingdienst het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en bepaald dat voor de periode van 1 januari tot en met 20 oktober 2008 geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat.
Bij uitspraak van 8 oktober 2012 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] tegen het besluit van 12 juni 2012 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.J. Hoogendoorn, advocaat te Utrecht, en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij die dienst, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Kinderopvang (hierna: de Wko), zoals die luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder kinderopvang verstaan: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen en opvoeden van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint.
Ingevolge artikel 1a, eerste lid, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) van toepassing.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien het gastouderopvang betreft die door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:
a. de draagkracht, en
b. de kosten van kinderopvang per kind.
Ingevolge artikel 52 geschiedt Pro kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.
Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.
2. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] niet heeft aangetoond dat de kinderopvang via [gastouderbureau] heeft plaatsgevonden op basis van een schriftelijke overeenkomst en dat de Belastingdienst zich daarom terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over de periode van 1 januari 2008 tot en met 20 oktober 2008.
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, hoewel voldoende aannemelijk is geworden dat hij op 7 juli 2008 zijn eigen overeenkomst aan de Belastingdienst heeft gefaxt, hieruit niet blijkt dat op die datum in de administratie van het gastouderbureau een overeenkomst aanwezig was. De wet vereist niet dat de aanvrager aantoont dat de overeenkomst zich in de administratie van het gastouderbureau bevindt, terwijl uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat, indien uit bewijsmiddelen blijkt dat de overeenkomst op enige datum ten tijde van de opvang reeds bestond, opvang op basis van een overeenkomst vanaf die datum kan worden aangenomen. De rechtbank heeft dit miskend, aldus [appellant].
4. Dit betoog, dat - zoals ter zitting in hoger beroep is bevestigd - door de Belastingdienst wordt onderschreven, slaagt. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft [appellant] met het ter zitting bij de rechtbank overgelegde faxvoorblad en de faxbevestiging aannemelijk gemaakt dat de kinderopvang in ieder geval vanaf 7 juli 2008 geschiedde op basis van een schriftelijke overeenkomst.
5. Gelet hierop zal de Afdeling alsnog de overige bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.
6. [appellant] heeft betoogd dat de Belastingdienst zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij de kosten die hij in de periode van 1 januari tot en met 20 oktober 2008 heeft gehad, niet aannemelijk heeft gemaakt. Volgens [appellant] tonen de door hem overgelegde kwitanties van betalingen in 2008, bankafschriften waaruit contante opnames blijken en het afschrift van de aangifte inkomstenbelasting over 2008 die door de gastouder is gedaan, voldoende aan dat hij in de periode van 1 januari tot en met 20 oktober 2008 kosten voor kinderopvang heeft gehad.
6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 7 november 2012 in zaak nr. 201111045/1/A2), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die voor kinderopvangtoeslag in aanmerking wil komen, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is.
[appellant] heeft met de door hem overgelegde facturen en kwitanties niet aannemelijk gemaakt dat hij in de periode van 1 januari tot en met 20 oktober 2008 kosten voor kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte daarvan is. [appellant] heeft enkele bankafschriften overgelegd waaruit contante opnames in 2006 volgen, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat hij die bedragen heeft gebruikt om kinderopvang in 2008 te betalen.
Evenmin heeft [appellant] met de in hoger beroep overgelegde aangifte in de inkomstenbelasting over 2008 van de gastouder aannemelijk gemaakt dat hij kosten van kinderopvang heeft gehad, nu uit die aangifte niet blijkt dat de gastouder betalingen van [appellant] heeft ontvangen. De email van 19 februari 2013 die de gastouder aan [appellant] heeft verzonden waarin deze hem het formulier van de aangifte inkomstenbelasting over 2008 toestuurt en verklaart dat de aangifte betrekking heeft op de door [appellant] betaalde bedragen voor kinderopvang, kan hiertoe objectief gezien niet als voldoende bewijs dienen.
7. De Belastingdienst heeft zich mitsdien terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over de maanden januari tot en met oktober 2008.
8. Het hoger beroep is gegrond. Nu echter de beslissing van de rechtbank juist is, dient de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Meurs-Heuvel
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013
47-756.