Uitspraak
200800761/1), nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.
Raad van State
Het college legde appellant een last onder dwangsom op om alle voertuigen ten behoeve van zijn bedrijf te verwijderen van een perceel, omdat deze opslag in strijd was met het bestemmingsplan "Buitengebied 1983" met bestemming "Handel en nijverheid klasse A".
Appellant voerde aan dat opslag van aanhangwagens was toegestaan en dat hij schriftelijke toestemming had gekregen voor detailhandel op het perceel. Tevens stelde hij dat het college het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel had geschonden door handhaving na jarenlang gedogen en door niet op te treden tegen vergelijkbare gevallen.
De Raad oordeelde dat detailhandel niet onder opslag valt en dat het college bevoegd was handhavend op te treden. De aangevoerde toezeggingen van ambtenaren waren niet concreet of ondubbelzinnig genoeg om het vertrouwensbeginsel te rechtvaardigen. Ook waren de vergelijkbare gevallen niet vergelijkbaar of gelegaliseerd. Het belang van handhaving woog zwaarder dan de financiële belangen van appellant.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de handhaving van het college wordt bevestigd.