ECLI:NL:RVS:2007:BB3411
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.H. van Kreveld
- K. Brink
- W. Sorgdrager
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vergunning duivenhouderij wegens onvoldoende onderbouwing emissie zwevende deeltjes
Bij besluit van 8 december 2006 verleende het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn een vergunning voor het oprichten en exploiteren van een duivenhouderij op een perceel te [plaats]. Tegen dit besluit hebben twee groepen appellanten beroep ingesteld bij de Raad van State, waarbij zij onder meer stelden dat de vergunning in strijd was met het Besluit luchtkwaliteit 2005 vanwege onvoldoende onderbouwing van de emissie van zwevende deeltjes.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 23 juli 2007 behandeld en beoordeelde dat de beroepen van appellanten sub 1 deels niet-ontvankelijk waren, maar dat de overige beroepen ontvankelijk waren. De kern van het geschil betrof de vraag of de gehanteerde verhouding van 3:1 ten opzichte van vleeskuikens voor de emissie van zwevende deeltjes door duiven reëel was. De Afdeling oordeelde dat verweerder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat deze verhouding juist was, mede omdat stukken ter onderbouwing van het standpunt van de deskundige ontbraken.
Gelet op het feit dat het onderzoek uitging van deze verhouding en dat het aantal overschrijdingsdagen van de norm uit het Besluit luchtkwaliteit bijna het maximum aantal overschrijdingen betrof, concludeerde de Afdeling dat het besluit in strijd was met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen werden gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellanten.
Uitkomst: Het besluit tot vergunningverlening voor de duivenhouderij wordt vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing van de emissie van zwevende deeltjes.