ECLI:NL:RVS:2010:BM7416
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering verblijfsvergunning asiel voor Afghaanse vrouwen met westerse levensstijl
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die de weigering van verblijfsvergunningen asiel aan Afghaanse vrouwen met een westerse levensstijl onterecht achtte. De vrouwen hadden aangevoerd dat hun westerse levensstijl en het niet kunnen uiten daarvan in Afghanistan een schending van artikel 8 en Pro 3 EVRM zou opleveren.
De rechtbank had geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met het recht op respect voor het privé-leven (artikel 8 EVRM Pro) en dat de vrouwen daardoor mogelijk onmenselijke of vernederende behandeling (artikel 3 EVRM Pro) zouden ondervinden. De staatssecretaris voerde aan dat van de vrouwen verlangd kon worden zich aan te passen aan de Afghaanse levensstijl en dat de verwesterlijking pas na vertrek had plaatsgevonden.
De Raad van State oordeelt dat de staatssecretaris zijn standpunt voldoende heeft gemotiveerd en dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro in samenhang met artikel 3 EVRM Pro terecht is betrokken bij de beoordeling. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond. De besluiten van 23 februari 2007 tot weigering van de verblijfsvergunningen worden bevestigd.
Verder oordeelt de Afdeling dat de staatssecretaris terecht geen categorieëel beschermingsbeleid voor Afghaanse vrouwen voert ondanks de verslechterde veiligheidssituatie. Ook de overige beroepsgronden worden ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de weigering van de verblijfsvergunningen aan de Afghaanse vrouwen wordt bevestigd.