ECLI:NL:RVS:2010:BO7052
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verblijfsvergunning Afghaanse vrouwen met westerse levensstijl en toepassing artikel 8 EVRM
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris tegen een uitspraak van de rechtbank die de afwijzing van verblijfsvergunningen asiel voor Afghaanse vrouwen met een westerse levensstijl vernietigde. De vrouwen voerden aan dat zij niet kunnen worden verplicht hun levensstijl aan te passen om een schending van artikel 3 EVRM Pro te voorkomen, waarbij ook artikel 8 EVRM Pro (recht op privéleven) een rol speelt.
De minister stelde dat van de vrouwen kan worden verlangd dat zij zich aanpassen aan de situatie in Afghanistan, ondanks hun verwestering. De rechtbank oordeelde dat de besluiten onvoldoende zijn gemotiveerd en dat de individuele omstandigheden, zoals de mate van verwestering en de gevolgen voor hun identiteit, betrokken moeten worden bij de beoordeling.
De Raad van State bevestigt deze overwegingen en wijst erop dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vrouwen niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. Tevens is onduidelijk of de vader van de vrouwen met hen kan terugkeren naar Afghanistan, wat ook relevant is voor de gezinshereniging.
De Afdeling verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, met een veroordeling van de minister tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd wegens onvoldoende motivering van de minister.