Uitspraak
200407569/1en 10 juni 2009 in zaak nr.
200807739/1) dient de rechter sluitingsbevelen die zijn genomen krachtens artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet op terughoudende wijze te toetsen.
Raad van State
De burgemeester van Heerlen heeft op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet besloten een woning te sluiten voor twaalf maanden wegens de aanwezigheid van harddrugs en drugshandel. De verhuurder maakte bezwaar tegen deze sluiting, dat door de burgemeester werd afgewezen. De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht vernietigde het besluit van de burgemeester en schorste de sluiting, omdat hij oordeelde dat de nadelige gevolgen voor de verhuurder niet in verhouding stonden tot het doel van de maatregel.
De burgemeester stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Deze oordeelde dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting op grond van het aantreffen van amfetamine en aanverwante materialen in de woning. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de burgemeester beleidsvrijheid heeft en dat het handhavingsbeleid waarbij een sluiting van twaalf maanden wordt opgelegd niet onredelijk is.
De Raad van State verwierp het verweer van de verhuurder dat hij niet op de hoogte was van de drugshandel en dat de sluiting voor hem onevenredig nadelig was. De Afdeling oordeelde dat de verhuurder geacht kan worden op de hoogte te zijn geweest gezien de meldingen van overlast en dat het financiële nadeel inherent is aan de sluiting. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep van de verhuurder ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de burgemeester wordt gegrond verklaard en het beroep van de verhuurder ongegrond verklaard; de sluiting van de woning voor twaalf maanden blijft gehandhaafd.