Uitspraak
200707250/1)) blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II, 2003/04, 29 523, nr. 3, p. 18) dat voormelde termijn een termijn van orde is. Nu het aldus de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest voormelde termijn als een termijn van orde aan te merken en deze bedoeling ondubbelzinnig uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling blijkt, is geen sprake van strijd met het legaliteitsbeginsel. Overschrijding van voormelde termijn heeft derhalve niet het gevolg als door [appellant] betoogd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de bevoegdheid om een boete op te leggen eerst vervalt na de termijn van twee jaren, als neergelegd in artikel 19f, eerste lid, van de Wav.
200802975/1), in beginsel dient te worden uitgegaan van de juistheid van een op ambtseed onderscheidenlijk ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend boeterapport en geen sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van dit uitgangspunt. De enkele stelling van [appellant] dat hem de cautie niet is verleend en de omstandigheid dat de cautie niet in de verklaring zelf is opgenomen, is hiertoe onvoldoende.
200300967/1) behoeven dergelijke opmerkingen in hoger beroep geen bespreking. Hetgeen [appellant] hiertegen in hoger beroep heeft aangevoerd, laat de Afdeling buiten beschouwing.
200700303/1), heeft overwogen dat voor het werkgeverschap niet relevant is of [appellant] heeft ingestemd met dan wel wetenschap had van het feit dat de vreemdelingen werkzaamheden hebben verricht. Volgens [appellant] is de situatie in die uitspraak niet vergelijkbaar met zijn situatie. Hij betwist opdracht te hebben gegeven tot het verrichten van werkzaamheden en voorts hebben de vreemdelingen niet ten dienste van hem gewerkt, doch hooguit ten dienste van de aannemers. Hij heeft de werkzaamheden die [vreemdeling B] en [vreemdeling C] hebben verricht niet mogelijk gemaakt noch kon hij deze voorkomen, omdat hij daarvan voorafgaand aan de controle niet op de hoogte was. Hij heeft [vreemdeling B] en [vreemdeling C] geen arbeid laten verrichten, aldus [appellant]. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte het werkgeverschap voor de drie vreemdelingen relateert aan de verklaring van hem ter zitting bij de rechtbank dat hij [vreemdeling A] heeft verteld wat deze kon doen.
200509111/1) betreft het opleggen van een bestuurlijke boete, op grond van artikel 19a, eerste lid, van de Wav een discretionaire bevoegdheid, omdat van die bevoegdheid gebruik kan - doch niet onder alle omstandigheden dient te - worden gemaakt. Het besluit om al dan niet een boete op te leggen, wordt derhalve door de rechter terughoudend getoetst. Vol getoetst wordt evenwel, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, de vraag of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en verwijtbaarheid van de overtreding. De rechtbank heeft er in haar overwegingen - anders dan [appellant] lijkt te betogen - blijk van gegeven voormelde volle toets te hebben uitgevoerd.
200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van Pro de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter.
200704906/1), wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was om de overtreding te voorkomen heeft gedaan. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.