Uitspraak
200801150/1) kan het in rechte opkomen tegen besluiten als regel niet worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Verder is in voornoemde uitspraak overwogen dat evenmin als feitelijke werkzaamheden gelden het indienen van verzoeken om handhavend op te treden en het naar voren brengen van zienswijzen over ontwerpbesluiten, nu beide dienen ter voorbereiding van het in rechte opkomen tegen besluiten. Het laten doen van onderzoek ten behoeve van eventuele bestuursrechtelijke procedures, alsmede het mondeling en schriftelijk informeren van derden over aanhangige en afgeronde procedures, kan niet los worden gezien van deze procedures of de voorbereiding daarvan. Het verstrekken van tips en informatie op de website van de Stichting Omgevingsrecht met betrekking tot het ondernemen van juridische stappen tegen bepaalde vormen van (milieu)overlast, kan evenmin los worden gezien van een bestuursrechtelijke procedure. Voor zover ter zitting namens beide stichtingen is gesteld dat zij ook adviserende werkzaamheden verrichten die los staan van het voeren van juridische procedures of de voorbereiding daarvan, overweegt de Afdeling dat dit niet aannemelijk is gemaakt.
200100451/1) kan van dit uitgangspunt worden afgeweken indien het uit praktische overwegingen niet zinvol is om de activiteiten die als regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie aangemerkt zijn, evenredig over het jaar verdeeld plaats te laten vinden. Ter zitting is gebleken dat het, gezien de cyclus binnen de inrichting, niet zinvol is de regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie die vaker dan één keer per week plaatsvinden, het schoonspuiten van de hokken gedurende maximaal 8 dagen in de dagperiode en het afvoeren van vloeibare mest gedurende maximaal 6 dagen in de dagperiode, verdeeld over het jaar plaats te laten vinden. Voor zover de Stichting BVD heeft aangevoerd dat vergunningvoorschrift 2.4 ontoereikend is om geluidhinder te voorkomen dan wel voldoende te beperken omdat de in dat voorschrift gestelde geluidgrenswaarden zijn gebaseerd op de geluidproductie van de afvoer van vloeibare mest terwijl andere activiteiten minder geluidbelasting veroorzaken, overweegt de Afdeling dat het college in het bestreden besluit zijn reactie daarop heeft gegeven. De Stichting BVD heeft in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de in vergunningvoorschrift 2.4 gestelde geluidgrenswaarden niet aansluiten bij de toepassing van de beste beschikbare technieken. De beroepsgrond faalt.