ECLI:NL:RVS:2008:BG5060
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- S.J.E. Horstink von Meyenfeldt
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onderscheid in opvang en verblijfsrecht voor vreemdelingen met en zonder asielaanvraag
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en het ongegrond verklaren van zijn bezwaar door de staatssecretaris van Justitie. De vreemdeling stelde dat hij op grond van het gelijkheidsbeginsel niet mocht worden uitgesloten van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet, omdat hij geen asielaanvraag had ingediend, terwijl anderen dat wel hadden gedaan.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard omdat de vreemdeling niet onder de doelgroep van de Regeling viel. De Raad van State vernietigde deze uitspraak omdat de rechtbank niet op het gelijkheidsbeginsel was ingegaan. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het Koninkrijk der Nederlanden internationale verplichtingen is aangegaan die een onderscheid rechtvaardigen tussen vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend en degenen die dat niet hebben gedaan.
De Raad stelde vast dat de Nederlandse overheid verantwoordelijkheden en opvangregelingen heeft voor asielzoekers die niet gelden voor vreemdelingen zonder asielaanvraag. Dit onderscheid is relevant en niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het beroep van de vreemdeling werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd het door hem betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet wordt terecht niet op hem toegepast.