ECLI:NL:RVS:2005:AT5119
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving bouwvoorschriften en beëindiging bewoning zonder vergunning in Soest
Het college van burgemeester en wethouders van Soest heeft appellant aangeschreven om binnen gestelde termijnen bouwwerken en bouwkundige voorzieningen zonder vergunning te verwijderen en de bewoning van een schuur te beëindigen. Appellant stelde dat het college onterecht handhavend optrad en dat hij gerechtvaardigd vertrouwen had dat niet zou worden opgetreden.
De Raad van State oordeelt dat de verbouwde schuur als een tweede woning geldt die in strijd is met het bestemmingsplan en dat het college terecht handhavend optreedt. Er is geen concreet uitzicht op legalisatie, aangezien de benodigde vrijstellingen niet verleend kunnen worden en het provinciale beleid daaraan geen afbreuk doet.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat vergelijkbare situaties niet anders zijn behandeld. Ook het argument dat bestuursdwang onevenredig zou zijn vanwege kapitaalvernietiging wordt verworpen. Het eerdere besluit om de verbouwing ongedaan te maken onderstreept dat geen gerechtvaardigd vertrouwen bestond.
De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht het beroep ongegrond verklaard en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de handhaving van het bouwvoorschriftenbesluit wordt bevestigd.