Uitspraak
200706015/1, heeft de Afdeling overwogen dat de uitoefening van de bevoegdheid tot het stilleggen van de bouwwerkzaamheden als bedoeld in artikel 100, derde lid, van de Woningwet, zoals deze gold tot 1 april 2007, bij uitstek is gericht op onmiddellijke stillegging van de met die wet strijdige bouwwerkzaamheden, waarbij gelet op de aard en het beoogde doel van die bevoegdheid niet na behoeft te worden gegaan of de bouw gelegaliseerd kan worden. Het doel en karakter van de opgelegde last onder dwangsom sluit echter niet uit dat onder bijzondere omstandigheden van het opleggen van een dergelijke maatregel moet worden afgezien. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 november 2009, in zaak nr.
200901141/1) biedt artikel 100d van de Woningwet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze jurisprudentie, voor zover dat ziet op het staken van het bouwen, als bedoeld in dat artikel, zoals dat gold ten tijde van het besluit op bezwaar, niet kan worden voortgezet.
200409054/1), biedt de omstandigheid dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor degene, ten laste van wie wordt gehandhaafd, op zichzelf geen grond voor het oordeel dat dit optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het bestuursorgaan daarvan om die reden behoort af te zien. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de bouwstop is opgelegd in afwachting van het treffen van verdere handhavingsmaatregelen. Het betoog faalt.