ECLI:NL:RVS:2002:AE7501
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake vreemdelingenbewaring en controle in kader Wet arbeid vreemdelingen
Appellante is op 24 april 2002 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank te ’s-Gravenhage verklaarde het tegen dit besluit ingestelde beroep op 8 mei 2002 ongegrond. Appellante stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
Zij voerde onder meer aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarendheid betrachtte bij haar uitzetting en dat de rechtbank ten onrechte oordeelde over de rechtmatigheid van controles in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De Raad van State oordeelde dat het betoog over voortvarendheid geen nieuwe grief vormde en dat de vreemdelingenrechter niet bevoegd is om feitelijke controles in het kader van de Wav te toetsen.
Verder stelde appellante dat de staandehouding onrechtmatig was omdat niet duidelijk was waarop het redelijk vermoeden van illegaal verblijf was gebaseerd. De Raad van State stelde vast dat objectieve gegevens, waaronder eerdere uitzetting en het ontbreken van meldings- en werkvergunning, een redelijk vermoeden rechtvaardigden.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van appellante kennelijk ongegrond.