ECLI:NL:RVS:2007:BA3799

Raad van State

Datum uitspraak
17 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200701918/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • B. van Wagtendonk
  • R. van der Spoel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50, eerste lid, Vw 2000Art. 8:54, eerste lid, AwbWet arbeid vreemdelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling rechtmatigheid staandehouding in kader Wet arbeid vreemdelingen

Op 27 februari 2007 voerden politieambtenaren een controle uit op een weekmarkt in Amsterdam Zuidoost gericht op de naleving van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Tijdens deze controle troffen zij een vreemdeling aan die arbeid verrichtte. Op grond van hun kennis dat marktkooplieden vaak illegale arbeidskrachten inzetten, werd de vreemdeling gecontroleerd.

De verbalisanten kregen het vermoeden dat de vreemdeling niet rechtmatig in Nederland verbleef, maar de staandehouding vond pas plaats nadat de controle in het kader van de Wav was ingezet. De rechtbank had anders geoordeeld, maar de Raad van State stelde vast dat de staandehouding terecht plaatsvond op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

De vreemdeling had aangevoerd dat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf was, maar de Raad oordeelde dat het ontbreken van legitimatie en het ontlopen van nadere controle een objectief redelijk vermoeden opleverde. De Raad verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Een verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: De staandehouding en inbewaringstelling van de vreemdeling waren rechtmatig; het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

200701918/1.
Datum uitspraak: 17 april 2007
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Staatssecretaris van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 07/9493 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 12 maart 2007 in het geding tussen:
[vreemdeling],
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 27 februari 2007 is [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 12 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel bevolen en hem schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 23 maart 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In grief 1 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, door te overwegen dat onvoldoende duidelijk is geworden in welk kader controle van de identiteitsgegevens van de vreemdeling heeft plaatsgevonden en op grond van de in het proces-verbaal van bevindingen van 27 februari 2007 beschreven gang van zaken te concluderen dat die controle krachtens de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) plaatsvond, heeft miskend dat uit dat proces-verbaal en het op dezelfde dag opgemaakte proces-verbaal van staandehouding blijkt dat sprake was van een controle in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).
2.2. Terzake van de staandehouding van de vreemdeling is door de desbetreffende politieambtenaren een proces-verbaal van staandehouding, nr. 2007055454-2, en een proces-verbaal van bevindingen, nr. 2007055454-1, opgemaakt.
Volgens de processen-verbaal waren de verbalisanten op 27 februari 2007 belast met fietssurveillance op de weekmarkt [naam] te [plaatsnaam]. Uit de in deze processen-verbaal vermelde feiten en omstandigheden blijkt voldoende dat de in het onderhavige geval verrichte controle in de eerste plaats was gericht op de naleving van de Wav. Het was de verbalisanten ambtshalve bekend dat marktkooplieden op de betreffende weekmarkt arbeid laten verrichten door illegaal hier te lande verblijvende personen. Daarin hebben zij aanleiding gezien de vreemdeling, die zij werkend op de weekmarkt aantroffen, te onderwerpen aan een controle in het kader van de Wav.
Dat bij de verbalisanten op grond van voormelde wetenschap, alsmede het gedrag en de reacties van de vreemdeling bij het zien van de verbalisanten ook het vermoeden ontstond dat hij niet rechtmatig in Nederland verbleef, laat onverlet dat sprake was van een controle in het kader van de Wav en de vreemdeling, anders dan de rechtbank heeft overwogen, eerst daarna op de voet van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 is staandegehouden. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat de verbalisanten zich niet tot die staandehouding hebben beperkt, doch volgens het proces-verbaal van bevindingen tevens bij de marktmeester hebben nagegaan aan wie de marktkraam waarbij de vreemdeling werkzaam was toebehoorde. Grief 1 slaagt.
2.3. Grief 2 mist zelfstandige betekenis.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de bewaring beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen grond.
2.5. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staandehouding onrechtmatig is, omdat er geen sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf.
Uit het hiervoor onder 2.2 overwogene volgt, dat in dit geval sprake is van een controle in het kader van de Wav. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 2002 in zaak no. 200202606/1, JV 2002/297), staat de rechtmatigheid van die controle niet ter beoordeling van de vreemdelingenrechter. Eerst indien de onrechtmatigheid hiervan door een daartoe bevoegde rechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling. Van een dergelijke situatie is in dit geval geen sprake. Nu tijdens de Wav-controle is gebleken dat de vreemdeling zich niet kon legitimeren en hij getracht heeft zich aan een nadere controle te onttrekken, was sprake van een naar objectieve maatstaven gemeten redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Voor het oordeel dat de vreemdeling niet kon worden staande gehouden krachtens artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 bestaat derhalve geen grond.
2.6. De Afdeling zal het tegen de inbewaringstelling ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren. Mitsdien is er geen grond voor schadevergoeding.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 12 maart 2007 in zaak no. AWB 07/9493;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink
Voorzitter w.g. Van de Kolk
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2007
393
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak