ECLI:NL:RBZWB:2026:7
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen naheffingsaanslag Bpm en verzoek om immateriële schadevergoeding
In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 6 januari 2026, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.810, welke door de rechtbank als terecht werd beoordeeld. Belanghebbende had eerder aangifte gedaan voor de registratie van een Porsche Cayenne en een bedrag aan Bpm voldaan van € 9.598. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de naheffingsaanslag terecht heeft gehandhaafd, na beoordeling van de beroepsgronden van belanghebbende. De rechtbank concludeert dat de herleidingsmethode niet kan worden toegepast en dat de inspecteur de juiste waarde heeft vastgesteld.
Daarnaast heeft belanghebbende verzocht om een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met acht maanden is overschreden en kent belanghebbende een schadevergoeding van € 1.000 toe, die door de Staat moet worden vergoed. De rechtbank wijst het beroep ongegrond, maar erkent het recht op schadevergoeding en proceskosten voor het indienen van het verzoek. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.