ECLI:NL:RBZWB:2026:6689

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
BRE 23/11340 en 23/11341
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10b Wet BPMArt. 110 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag BPM ongegrond, wel vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen naheffingsaanslagen BPM voor twee voertuigen, waarbij hij de taxatiemethode toepaste om de waarde te bepalen. De inspecteur legde naheffingsaanslagen op omdat de taxatierapporten niet de juiste staat van de voertuigen weerspiegelen en essentiële gebreken bevatten. De rechtbank oordeelt dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast omdat de voertuigen ofwel hersteld waren ofwel zodanige gebreken hadden dat ze niet aan het verkeer konden deelnemen.

De rechtbank stelt vast dat belanghebbende de door hem opgevoerde schades niet aannemelijk heeft gemaakt en dat de afschrijvingstabel van vóór 1 juli 2023 moet worden toegepast. Het beroep tegen de naheffingsaanslagen wordt daarom ongegrond verklaard.

Wel kent de rechtbank belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling van het bezwaar en beroep. De overschrijding bedraagt ongeveer dertien maanden, wat leidt tot een vergoeding van € 1.500. Daarnaast worden proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding toegekend. Het griffierecht wordt niet vergoed.

Uitkomst: Beroepen tegen naheffingsaanslagen BPM ongegrond verklaard, wel vergoeding immateriële schade van € 1.500 toegekend wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/11340 en 23/11341
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 21 juli 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 11.076 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 36 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M.U. Sahin, verbonden aan [bedrijf] B .V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] . [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Belanghebbende heeft wel recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

Zaaknummer 23/11340
3. Belanghebbende heeft aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mercedes-Benz E-Klasse Estate 400 d 4Matic AMG Line met VIN [VIN-nummer 1] (auto 1), en een bedrag van € 11.376 aan Bpm voldaan.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 57.117. De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 10.102 en daarvan € 9.092 op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Daarnaast is een aanvullend bedrag van € 5.712 in mindering gebracht. De getaxeerde waarde komt daarmee op € 42.314.
3.2.
Bij de aangifte heeft belanghebbende tevens de inkoopfactuur overgelegd. De inkoopfactuur vermeldt een bedrag van € 61.000 inclusief omzetbelasting. Op de inkoopfactuur wordt geen melding gemaakt van schade.
3.3.
Auto 1 is op 12 januari 2023 gekeurd door de RDW.
3.4.
De inspecteur heeft ter zake van auto 1 een naheffingsaanslag opgelegd van € 6.767.
Zaaknummer 23/11341
3.5.
Belanghebbende heeft aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Renault Trafic Passenger 1.6 dCi Grand Zen Ene met VIN [VIN-nummer 2] (auto 2), en een bedrag van € 4.331 aan Bpm voldaan.
3.6.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 22.333. De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 13.562 en daarvan € 10.849 op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Daarnaast is een aanvullend bedrag van € 4.467 in mindering gebracht.
3.7.
Bij de aangifte heeft belanghebbende geen inkoopfactuur overgelegd.
3.8.
Auto 2 is op 26 juli 2022 gekeurd door de RDW.
3.9.
De inspecteur heeft ter zake van auto 2 een naheffingsaanslag opgelegd van € 4.309 en daarbij € 36 aan belastingrente in rekening gebracht.

Motivering

4. Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast. Verder is in geschil welke afschrijvingsmethode moet worden toegepast.
Herleidingsmethode
4.1.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Taxatiemethode – essentiële gebreken
4.2.
Belanghebbende betoogt dat de taxatiemethode kan worden toegepast. Volgens belanghebbende is bij beide auto’s geen sprake van essentiële gebreken en moet rekening worden gehouden met een waardevermindering wegens schade. Voor het geval dat sprake is van essentiële gebreken, doet belanghebbende met toepassing van artikel 10b van de Wet Bpm en artikel 110 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een beroep op eerder geldend begunstigend beleid.
4.3.
De inspecteur betoogt dat sprake was van essentiële gebreken aan de voorruit van auto 1 en aan de voorruit en koplamp van auto 2 waardoor bij beide auto’s geen waardevermindering wegens schade in aanmerking kan worden genomen. Indien de essentiële gebreken reeds hersteld waren, geven de taxatierapporten niet de staat van de auto’s ten tijde van de keuring door de RDW weer.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. De bewijslast rust aldus op belanghebbende.
4.5.
De rechtbank acht voor zowel auto 1 als auto 2 niet aannemelijk dat zij in de in het taxatierapport beschreven toestand, waarin melding wordt gemaakt van de vervanging van de voorruit (auto 1) respectievelijk de voorruit en koplamp (auto 2) door de keuring bij de RDW zou komen. Dit betekent dat de taxatierapporten niet de toestand van de auto’s weergeven ten tijde van het belastbare feit.
4.6.
Indien bovendien al zou gelden dat de voertuigen nog niet waren hersteld, geldt dat tot de in de taxatierapporten in aanmerking genomen schade ook “schadeposten” zijn gerekend die in wezen essentiële gebreken vormen. Met een voertuig met dergelijke gebreken kan geen gebruik worden gemaakt van het verkeer op de openbare weg. Met dergelijke gebreken kan dus geen rekening worden gehouden bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde.
4.7.
De taxatierapporten bevatten bovendien diverse gebreken. Zo is bijvoorbeeld zonder deugdelijke onderbouwing naast de waardevermindering wegens schade een aanvullend bedrag van € 5.712 in mindering gebracht. Verder is de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van auto 1 gesteld op € 42.314. Dit komt de rechtbank onlogisch voor nu belanghebbende, die regelmatig in auto’s handelt en daarin specifieke kennis en kunde heeft, voor deze auto een aanzienlijk hoger bedrag heeft betaald, namelijk € 61.000. Naar het oordeel van de rechtbank komt gelet op die feiten en omstandigheden geen waarde toe aan het taxatierapport van auto 1. Voor auto 2 ontbreekt de inkoopfactuur, waardoor het taxatierapport van auto 2 niet voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden. [2] Toepassing van de taxatiemethode kan reeds daarom niet.
4.8.
In beide gevallen (de auto was hetzij hersteld dan wel had dusdanige gebreken, dat deelname aan het verkeer onmogelijk was) is sprake van een onjuiste aangifte. De taxatierapporten zijn niet bruikbaar omdat zij niet de staat van de auto ten tijde van de aangifte weerspiegelen en omdat zij formele en materiële gebreken vertonen. Belanghebbende heeft hiermee de door hem opgevoerde schades niet aannemelijk gemaakt. [3]
4.9.
Ook alle overige standpunten in dit kader slagen naar het oordeel van de rechtbank niet. Daarbij weegt de rechtbank specifiek voor auto 1 mee dat de gestelde vermindering van de waarde (de afschrijving) die belanghebbende langs verschillende wegen aannemelijk poogt te maken, naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk zijn gemaakt. Het komt erop neer dat belanghebbende – met specifieke kennis - langs verschillende wegen stelt dat de auto veel meer heeft afgeschreven en dus veel minder waard was dan wat belanghebbende voor de auto heeft betaald. Zonder nadere onderbouwing is het naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de auto meer is verminderd in waarde dan wat blijkt uit de prijs die op de markt tot stand is gekomen.
Afschrijvingstabel
4.10.
Belanghebbende stelt zich met betrekking tot auto 1 op het standpunt dat de door de inspecteur toegepaste afschrijvingstabel in strijd is met het Unierecht en dat in plaats daarvan de op 1 juli 2023 ingevoerde afschrijvingstabel moet worden toegepast.
4.11.
De rechtbank overweegt dat de keuring door de RDW heeft plaatsgevonden voor 1 juli 2023, zodat de afschrijvingstabel van voor 1 juli 2023 moet worden toegepast. De vaststelling van de (percentages van de) forfaitaire afschrijvingstabel is voorbehouden aan de regelgever en niet aan de rechter. Het is de keuze van de regelgever om de nieuwe tabel niet eerder dan 1 juli 2023 in werking te laten treden. Het arrest Gomes Valente [4] waar belanghebbende naar verwijst, leidt niet tot een ander oordeel.
Belastingrente
4.12.
Het beroep ter zake van auto 2 wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.
Immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
4.13.
Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil beslecht had moeten zijn. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. [5] Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade.
4.14.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 14 juli 2023 heeft ontvangen. De inspecteur heeft op 30 oktober 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 21 juli 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond dertien maanden overschreden. De rechtbank stelt vast dat in beide zaken vrijwel dezelfde geschilpunten ter discussie staan. De motivering van het beroep is in beide zaken nagenoeg identiek, dan wel in zeer hoge mate vergelijkbaar. Ten slotte zijn de zaken gezamenlijk behandeld op de zitting van 23 juni 2026. Gelet hierop bestaat er voor alle fasen van de procedure samenhang. Dit heeft tot gevolg dat ter vaststelling van het bedrag van de schadevergoeding voor beide zaken gezamenlijk eenmaal het tarief van € 500 per half jaar overschrijding van de redelijke termijn wordt gehanteerd. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.500. Deze vergoeding komt volledig voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag voor zowel auto 1 als auto 2 in stand blijft. Wel heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25 [6] . De vergoeding bedraagt dan in totaal € 233,50. De Staat moet die kosten vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is gedaan na het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [7] .

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.500;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.3.4.
3.Zie ook Gerechtshof Den Haag 14 april 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:877 r.o. 5.3 tot en met 5.5.
4.HvJ EG 22 februari 2001, nr. C-393/98.
5.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
6.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
7.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 en 7.1.2.