ECLI:NL:RBZWB:2026:4381

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
25/121
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10e, tweede lid onder b UBLBArt. 10eb, tweede lid UBLB (2021)Art. 10eb, tweede lid UBLB (2022)Art. 10eb, tweede lid UBLB (2023)Art. 4 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep 30%-regeling wegens onvoldoende bewijs woonplaats buiten Nederland

Belanghebbende, met Franse nationaliteit, werkte voorafgaand aan zijn arbeidsovereenkomst bij een Nederlandse werkgever in het kader van een Frans overheidsprogramma (VIE), dat de rechtbank kwalificeert als een stage. Op 26 juni 2023 sloot hij een arbeidsovereenkomst met een andere Nederlandse werkgever en verzocht om toepassing van de 30%-regeling.

De rechtbank beoordeelde of belanghebbende als ingekomen werknemer kwalificeert, waarbij het moment van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst en de woonplaats van belanghebbende centraal stonden. Hoewel belanghebbende stelde dat zijn werkzaamheden bij VIE een stage waren en hij fiscaal inwoner van Frankrijk bleef, was hij ingeschreven op een Nederlands adres en werkte hij in Nederland.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij buiten Nederland woonde bij aanvang van de arbeidsovereenkomst. De deelname aan het VIE-programma werd als stage erkend, maar het verblijf en inschrijving in Nederland maakten dat niet werd voldaan aan de voorwaarden voor de 30%-regeling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep op toepassing van de 30%-regeling wordt ongegrond verklaard omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van woonplaats buiten Nederland en niet-werkzaamheid in Nederland voorafgaand aan de arbeidsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/121

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [woonplaats] , belanghebbende,
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] )
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van 3 december 2024.
1.1.
De inspecteur heeft bij beschikking van 12 oktober 2023 het verzoek van
belanghebbende om toepassing van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers afgewezen.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde 1] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op de toepassing van de 30%-regeling. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of belanghebbende uit een ander land is aangeworven. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt uit een ander land te zijn aangeworven. Dit betekent dat de inspecteur het verzoek van belanghebbende om toepassing van de 30%-regeling terecht heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Feiten

3. Belanghebbende is geboren op [geboortedag] 1998 en heeft de Franse nationaliteit. Belanghebbende heeft zich op 25 januari 2022 ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op een Nederlands adres.
3.1.
Belanghebbende heeft zijn diploma van de Franse masterstudie Business Engineering aan de Eiffel School of Management behaald.
3.2.
Belanghebbende heeft gedurende de periode november 2021 tot en met juni 2023 in het kader van een programma Volontariat International en Enterprise (hierna: VIE) van de Franse overheid (Bussines France) in Nederland gewerkt bij een Nederlandse werkgever, te weten [werkgever 1] (hierna: [werkgever 1] ).
3.3.
Uit de overeenkomst tussen belanghebbende en VIE volgt dat belanghebbende in het kader van zijn deelname aan het programma maandelijks een bedrag van € 723,99 ontving voor zijn werkzaamheden bij [werkgever 1] , alsmede een bedrag van € 1.460,54 ter vergoeding van zijn verblijfskosten in Nederland. De maandelijkse vergoedingen werden door VIE betaald.
3.4.
Op 26 juni 2023 heeft belanghebbende een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten met [werkgever 2] (hierna: [werkgever 2] ) in de functie van ‘Serial Life Program Manager’. Op 1 juli 2023 is belanghebbende gestart met zijn werkzaamheden voor [werkgever 2] .
3.5.
Namens belanghebbende en [werkgever 2] is op 28 juli 2023 een verzoek ingediend om toepassing van de 30%-regeling per 1 juli 2023. In het verzoek heeft belanghebbende – voor zover relevant – het volgende aangegeven:
“In de periode van 01-11-2021 tot 30-06-2023 heeft de heer [belanghebbende] een internship afgerond in Nederland via V.I.E. (Franse overheidsorgaan). Deze wordt aangemerkt als post-diploma internschip aangemerkt.
V.I.E. is een Internationaal Internship programma naar Frans recht voor jonge afgestudeerden. Gedurende deze stage krijgen de afgestudeerden de mogelijkheid om internationale werkervaring op te doen. In de bijlagen onder nummer 3 vind u een kopie van de internship overeenkomst en de verlenging van de overeenkomst, de ziektekostenverzekering (gedekt door dezelfde Franse orgaan) en de maandelijkse betalingen vanuit V.I.E.
Het verblijf was van tijdelijke aard en zijn doel was na afronding van zijn internship terug te keren naar Frankrijk. Gedurende zijn tijdelijk verblijf in Nederland was hij nog wel fiscaal inwoner van Frankrijk.”
3.6.
De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen, vanwege de eerdere werkzaamheden van belanghebbende bij [werkgever 1] .

Motivering

Wettelijk kader
4. De 30%-regeling is een speciale regeling voor ingekomen werknemers. Onder een ingekomen werknemer wordt verstaan: een door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven werknemer met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is. [1] Een werknemer die in het wetenschappelijk onderwijs een Nederlandse mastergraad of een hiermee gelijkwaardige buitenlandse graad heeft behaald en die de leeftijd van dertig jaar nog niet heeft bereikt, beschikt over specifieke deskundigheid indien het loon meer bedraagt dan € 29.616 [2] , € 30.001 [3] en
€ 31.891 [4] (de salarisnorm).
4.1.
De rechtbank overweegt dat de 30%-regeling een begunstigende regeling is. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt dan mee dat belanghebbende de feiten en omstandigheden stelt waaruit volgt dat is voldaan aan de voorwaarden van de regeling en dat hij die feiten en omstandigheden aannemelijk maakt.
4.2.
Voor de vraag of iemand als ingekomen werknemer kwalificeert, is het moment van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst bepalend. [5] Bij de beantwoording van de vraag of een werknemer uit een ander land is aangeworven moet de rechtbank bepalen of de werknemer (belanghebbende) bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst nog niet in Nederland woonde en ook niet – anders dan in situaties als opleiding of stage – in Nederland werkzaam was. [6]
4.3.
De staatssecretaris van Financiën [7] heeft in een besluit bepaald dat als stage wordt aangemerkt een periode van activiteiten en werkzaamheden in het kader van een studie of opleiding. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende na afronding van zijn masteropleiding (zie 3.1) heeft deelgenomen aan het programma bij VIE.
Was belanghebbende werkzaam in Nederland?
4.4.
Vast staat dat belanghebbende op 26 juni 2023 een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met [werkgever 2] (zie 3.4). De rechtbank dient te beoordelen of belanghebbende op
26 juni 2023 aan de voorwaarden voldoet en hij aldus kwalificeert als een uit het buitenland aangeworven werknemer. Niet in geschil is dat belanghebbende op dat moment nog werkzaam was bij [werkgever 1] in het kader van het programma bij VIE. De vraag die allereerst voorligt is of de deelname aan het VIE-programma toepassing van de 30%-regeling in de weg staat.
4.5.
Belanghebbende heeft toegelicht dat het programma bij VIE een ‘French Internship Program’ betreft voor Franse jongeren dat is opgezet door de Franse overheid (Business France). De werkzaamheden die belanghebbende in de functie van ‘stagiaire Sales Engineer’ heeft verricht bij [werkgever 1] sluiten aan bij de eerder gevolgde masteropleiding. De deelname aan het VIE-programma kwalificeert als stage, aldus belanghebbende. Volgens belanghebbende kan uit de jurisprudentie [8] niet worden afgeleid dat een stage in het kader van een studie of opleiding moet worden verricht, zoals de staatssecretaris in het Besluit heeft bepaald.
4.6.
De rechtbank overweegt dat het voor toepassing van de 30%-regeling niet noodzakelijk is dat een stage in het kader van de studie of opleiding wordt gedaan. De belastingkamer van de Hoge Raad maakt een uitzondering voor situaties van ‘opleiding of stage’, zonder dat daaraan nadere voorwaarden worden gesteld [9] . De rechtbank is van oordeel dat de uitleg van de staatssecretaris te restrictief is voor de invulling van het begrip ‘stage’. Dat belanghebbende voorafgaand aan zijn werkzaamheden bij [werkgever 1] zijn studie reeds had afgerond, is daarom niet doorslaggevend voor de vraag of sprake is van stage.
4.7.
De rechtbank overweegt verder dat belanghebbende werkzaam is geweest op basis van een overeenkomst tussen Business France, [werkgever 1] en belanghebbende, waarbij belanghebbende wordt betaald via Business France. Belanghebbende is dus niet rechtstreeks in dienst bij [werkgever 1] . Op de website van het VIE-programma wordt het programma omschreven als een ‘international internship program’, hetgeen duidt op een stage. Belanghebbende heeft onbetwist gesteld dat zijn werkzaamheden in de functie van ‘stagiaire Sales Engineer’ aansluiten bij zijn masteropleiding. Uit de stukken en verklaringen van belanghebbende leidt de rechtbank af dat belanghebbende bij [werkgever 1] heeft gewerkt aan zijn professionele ontwikkeling en kennisvergroting. Met betrekking tot de hoogte van de vergoeding heeft belanghebbende verklaard dat het feit dat de vergoeding voor de stage relatief hoog is, samenhangt met de verhoogde vaste vergoeding die wordt toegekend omdat het een buitenlandse stage betreft. Op basis van het contract is de vergoeding voor een vergelijkbare binnenlandse stage substantieel lager. De hogere vergoeding is dus enkel bedoeld om de hoger kosten te compenseren, en niet als beloningselement.
4.8.
Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij [werkgever 1] werkzaam was in het kader van een stage en niet, zoals de inspecteur heeft gesteld, in het kader van ‘proef-werken’ voorafgaand aan een duurzamer dienstverband. Dat belanghebbende zonder beperkingen inzetbaar was voor [werkgever 1] , doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.
4.9.
Het voorgaande betekent dat belanghebbende op het moment van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met [werkgever 2] – anders dan de stage – niet in Nederland werkzaam was.
Woonde belanghebbende buiten Nederland?
4.10.
Voor dat geval ligt de vraag voor of belanghebbende op het moment van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met [werkgever 2] buiten Nederland woonde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, die een beroep doet op de 30%-regeling, ook hiervoor de bewijslast.
4.11.
Waar iemand woont wordt op grond van artikel 4, eerste lid, van de AWR naar omstandigheden beoordeeld. Daarbij moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er volgens vaste rechtspraak op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt. [10] Het bepaalde in artikel 4 van Pro de AWR sluit niet uit dat een natuurlijk persoon ingevolge de wetgeving van een ander land aldaar (ook) zijn woonplaats heeft. Het is dus niet uitgesloten dat belanghebbende in 2023 voor fiscale doeleinden zowel een woonplaats in Nederland als een woonplaats in Frankrijk heeft.
4.12.
Belanghebbende heeft bij zijn verzoek om toepassing van de 30%-regeling verklaard dat hij fiscaal inwoner is gebleven van Frankrijk en daarbij kopieën overgelegd van Franse belastingaangiften 2021 en 2022, diverse elektriciteitsfacturen met betrekking tot zijn Franse huis voor de periode 2021 tot en met 2023 en internetrekeningen voor de periode van augustus 2022 tot juli 2023. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat de inschrijving in Nederland enkel heeft plaatsgevonden omdat dit een verplichting is. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift gesteld dat belanghebbende er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat er sprake is van een woonplaats buiten Nederland. Ter zitting heeft de inspecteur nog toegevoegd dat uit de stukken niet blijkt dat belanghebbende ten tijde van het VIE-programma is teruggegaan naar Frankrijk en er zijn volgens de inspecteur ook geen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat belanghebbende in Frankrijk woonde.
4.13.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende voorafgaand aan de aanvang van de arbeidsovereenkomst in Nederland werkte en ook stond ingeschreven op een Nederlands adres. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd met betrekking tot de woning in Frankrijk is naar het oordeel van de rechtbank tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur onvoldoende om aannemelijk te maken dat belanghebbende niet in Nederland woonde voorafgaand aan de aanvang van de arbeidsovereenkomst. Aan het vereiste van de woonplaats buiten Nederland is dus niet voldaan.
Is artikel 10ed van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB) van toepassing?
4.14.
Belanghebbende heeft geen verzoek gedaan om toepassing van de 30%-regeling voor de tewerkstelling bij [werkgever 1] in het kader van het VIE-programma. De 30%-regeling kan in dat geval fictief worden voortgezet als materieel aan de voorwaarden van de 30%-regeling is voldaan ten tijde van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met de eerste werkgever (zie 4). Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, moeten de werkzaamheden bij [werkgever 1] worden aangemerkt als een stage en niet als een arbeidsovereenkomst. Reeds hierom is niet voldaan aan de voorwaarden voor de 30%-regeling. De vraag of voldaan is aan de salarisnorm, behoeft dan geen behandeling meer.
4.15.
Gelet op het vorenstaande heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank het verzoek om toepassing van de 30%-regeling terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inspecteur het verzoek om het verkrijgen van de beschikking 30%-regeling terecht heeft afgewezen.
5.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Ook krijgt belanghebbende het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 19 mei 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 10e, tweede lid onder b van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB).
2.Artikel 10eb, tweede lid van het UBLB (2021).
3.Artikel 10eb, tweede lid van het UBLB (2022).
4.Artikel 10eb, tweede lid van het UBLB (2023).
5.Hoge Raad 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU2303, Hoge Raad 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1670 en Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2201.
6.Hoge Raad 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU2303.
7.Besluit van 23 augustus 2013, nr. DGB 2013/70M, Stcrt. 2013, 25663 (het Besluit).
8.Vgl. Hoge Raad 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4068.
9.Hoge Raad 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4068.
10.Vgl. bijv. Hoge Raad 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466, Hoge Raad 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285, en Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824.