Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3118

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/2404
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag BPM terecht opgelegd ondanks geschil over schade en afschrijving

Belanghebbende deed aangifte voor BPM op een Porsche Macan en betaalde € 3.614, met een taxatierapport dat een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 49.008 vermeldde. De inspecteur legde een naheffingsaanslag van € 5.848 op na een hertaxatie door DRZ, die geen waardevermindering wegens schade constateerde.

De rechtbank beoordeelde of de herleidingsmethode en de afschrijvingsmethode juist waren toegepast en of de schade aan de auto voldoende was aangetoond. De rechtbank verwierp het beroep op de herleidingsmethode op basis van een recent arrest van de Hoge Raad en oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van meer dan normale gebruiksschade.

De naheffingsaanslag werd daarom als terecht bevestigd. Wel werd belanghebbende een vergoeding van € 500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase. Daarnaast werd een proceskostenvergoeding van € 233,50 toegekend voor de immateriële schadevergoedingprocedure.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt bevestigd, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2404
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 15 april 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.848.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd
.Belanghebbende heeft wel recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 10 maart 2023 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Porsche Macan 3.0 S met VIN-nummer [nummer] (de auto), en een bedrag van € 3.614 aan Bpm voldaan.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 49.008.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Het DRZ-rapport vermeldt geen waardevermindering wegens schade. In het DRZ-rapport is daarover het volgende opgemerkt: “Alle opgegeven schade is niet aangetroffen of valt onder gebruiksschade.” De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 9.462 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

4. Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast. Verder is in geschil welke afschrijvingsmethode moet worden toegepast en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat.
4.1.
Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift en ter zitting de door de inspecteur bij de naheffingsaanslag gehanteerde historische nieuwprijs van € 113.912 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 47.171 niet betwist. De rechtbank zal daarom van deze bedragen uitgaan.
Herleidingsmethode
4.2.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Afschrijvingsmethode
4.3.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport.
Schade
4.4.
Belanghebbende voert aan dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat onvoldoende rekening is gehouden met de door hem gestelde schade aan de auto. De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 13.444 en deze voor 95% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht.
4.5.
De inspecteur betwist dat sprake is van schade aan de auto waarmee ter bepaling van de handelsinkoopwaarde rekening moet worden gehouden. De hertaxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.6.
De rechtbank stelt voorop dat normale gebruiksschade niet in mindering gebracht kan worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Onder normale gebruiksschade dient te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig. [2]
4.7.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft hiervoor verwezen naar het taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van de taxatierapporten en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto destijds bijna 5 jaar oud was en 71.803 kilometer had gereden. Dat betekent dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast.
De hoogte van de naheffingsaanslag
4.8.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd.
Immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
4.9.
Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil beslecht had moeten zijn. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. [3] Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade.
4.10.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 27 december 2023 heeft ontvangen. De inspecteur heeft op 15 april 2025 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 15 april 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond vier maanden overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 500. Deze vergoeding komt volledig voor rekening van de inspecteur.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Wel heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade van € 500. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed, omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding is gedaan na het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024. [4]
5.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht met een waarde van € 934 en een wegingsfactor van 0,25 [5] toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 233,50. De inspecteur moet die kosten vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
De griffier is buiten staat
deze uitspraak mede te
ondertekenen
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Artikel 2, aanhef en onderdeel c, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.
3.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
4.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, ro. 7.1.1 en 7.1.2.
5.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.