Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2435

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
25/221
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.22 Wet BRP
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen ambtshalve uitschrijving uit de Basisregistratie Personen

Eiseres maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland om haar vertrek uit Nederland ambtshalve in de Basisregistratie Personen (BRP) op te nemen. Het college had vastgesteld dat eiseres niet meer op het geregistreerde adres woonde en geen aangifte van verhuizing had gedaan.

De rechtbank oordeelde dat het college terecht het vertrek van eiseres in de BRP heeft opgenomen, omdat aan alle drie de voorwaarden van artikel 2.22, eerste lid, van de Wet BRP was voldaan: eiseres was onbereikbaar, had geen wijziging van adres doorgegeven en na gedegen onderzoek kon geen verblijfplaats worden achterhaald. Eiseres erkende niet meer op het adres te verblijven en was ondergedoken.

De rechtbank wees erop dat de BRP geen ruimte biedt voor belangenafwegingen of een hardheidsclausule en dat het vertrek ook kan worden geregistreerd als de verblijfplaats onbekend is. Het beroep werd ongegrond verklaard, het griffierecht werd niet teruggegeven en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de ambtshalve uitschrijving uit de BRP wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/221

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland, het college.

Samenvatting

1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het beroep van eiseres tegen de beslissing op bezwaar van 15 november 2024, waarbij het college de opname in de Basisregistratie personen (BRP) van het vertrek van eiseres uit Nederland heeft gehandhaafd. Eiseres voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van deze beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het vertrek van eiseres uit Nederland in de BRP (in de volksmond: uitschrijving uit de BRP) moest opnemen, omdat aan alle drie de voorwaarden uit artikel 2.22, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP) is voldaan. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 16 februari 2024 heeft het college een brief naar eiseres verstuurd met daarin de mededeling dat uit onderzoek is gebleken dat eiseres niet meer woont op het adres [adres] in [woonplaats] (het adres) waar ze in de BRP staat ingeschreven. Eiseres wordt in de brief verzocht om nadere informatie te verstrekken of om zo snel mogelijk aangifte te doen van haar verhuizing.
2.1.
Het college heeft op 7 mei 2024 aan eiseres kenbaar gemaakt voornemens te zijn ambtshalve haar vertrek uit Nederland op te nemen in de BRP. Dit voornemen heeft eiseres uiteindelijk bereikt doordat op 28 mei 2024 de aangetekend verzonden brief is afgehaald.
2.2.
Het college heeft op 13 juni 2024 het besluit genomen om het vertrek van eiseres uit Nederland op te nemen in de BRP (het primaire besluit). Dit besluit heeft eiseres ook ontvangen.
2.3.
Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
2.4.
Het college heeft op 15 november 2024 in de beslissing op bezwaar, overeenkomstig het advies van de commissie bezwaarschriften, het bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
2.5.
Op 24 december 2024 heeft eiseres hier beroep tegen ingesteld.
2.6.
Het college heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en namens het college [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] . Eiseres is zelf niet op de zitting verschenen.
Beroepsgrond
3. Eiseres voert aan dat het college ten onrechte haar vertrek uit Nederland in de BRP heeft opgenomen. Ze stelt nooit haar huurovereenkomst te hebben opgezegd en daarmee nog steeds de rechtmatige bewoner te zijn van de woning op het adres. Bovendien ontvangt ze haar post nog steeds op het adres.

Beoordeling door de rechtbank

Het wettelijk kader
4. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1057), is het doel van de Wet BRP dat de in de BRP vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop moeten in de BRP gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene worden geregistreerd. Om dezelfde reden biedt de BRP geen ruimte voor een belangenafweging. De BRP kent ook geen hardheidsclausule.
4.1.
In artikel 2.22, eerste lid, van de Wet BRP is bepaald wanneer het college iemand ambtshalve moet uitschrijven als ingezetene uit de BRP. Er zijn drie voorwaarden:
i) de ingezetene kan niet worden bereikt;
ii) van hem is geen aangifte van wijziging van adres of van vertrek ontvangen en;
iii) na gedegen onderzoek kunnen geen gegevens over hem worden achterhaald over het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland.
4.2.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1658, volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2.22 van de Wet BRP dat een college in de BRP kan opnemen dat een voormalig ingezetene is vertrokken naar onbekend, als die persoon het adres waarop hij in de BRP stond ingeschreven heeft verlaten en spoorloos is. Het cruciale punt is dat de werkelijke verblijfplaats in de gevallen waarin artikel 2.22 van de Wet BRP toepassing vindt, niet bekend is. Er mag niet lichtvaardig tot ambtshalve toepassing van artikel 2.22 van de Wet BRP worden overgegaan. De gevolgen daarvan zijn immers aanzienlijk. Voor de ingeschrevene betekent het dat de verschillende overheidsorganen (en derden) er in beginsel vanuit gaan dat hij niet meer in Nederland verblijft. Zij zullen bijvoorbeeld uitkeringen en andere vormen van dienstverlening ten behoeve van betrokkene in beginsel stopzetten. [1]
4.3.
Volgens jurisprudentie van de Afdeling is het daadwerkelijke verblijf van een betrokkene in het buitenland geen vereiste om het adresgegeven van een persoon als ‘onbekend’ in de BRP te registreren. Voor de betrokken persoon betekent deze registratie dat het college er ambtshalve zorg voor draagt dat het vertrek van de ingezetene uit Nederland in de BRP wordt opgenomen, ook als dat niet aannemelijk is of vast staat dat deze persoon in die periode in Nederland verbleef. Dat volgt rechtstreeks uit artikel 2.22, eerste lid, van de Wet BRP en is een keuze van de wetgever. [2]
De voorwaarden van artikel 2.22, eerste lid, van de Wet BRP
De ingezetene kan niet worden bereikt
5. Als een persoon niet daadwerkelijk woont op zijn of haar in de BRP geregistreerde woonadres, is hij of zij onbereikbaar. Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2270). Als de persoon alleen bereikbaar is per post, e-mail of telefoon, is dat onvoldoende. Het college moet voor de toepassing van artikel 2.22, eerste lid, van de Wet BRP weten waar iemand verblijft. Als iemand desgevraagd geen verblijfplaats kenbaar wil maken, is hij in zoverre onbereikbaar. Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2978). [3]
5.1.
Eiseres heeft erkend dat ze al langere tijd niet daadwerkelijk op het adres verblijft. Ze stelt namelijk ondergedoken te zijn. Daarnaast is de huurovereenkomst van de woning op het adres door de verhuurder op 23 augustus 2023 buitengerechtelijk ontbonden en woont inmiddels een andere huurder in de woning. Hierdoor is het voor eiseres feitelijk onmogelijk geworden om op dit adres ingeschreven te zijn. [4] De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat eiseres niet kan worden bereikt zoals bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, van de Wet BRP. Dat de rechtbank de post over deze beroepsprocedure heeft verzonden aan het (voormalige) BRP-adres van eiseres betekent in het verlengde hiervan, anders dan eiseres heeft aangevoerd, ook niet dat volgens de rechtbank aan deze eerste voorwaarde zou zijn voldaan.
Van haar is geen aangifte van wijziging van adres of van vertrek ontvangen
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres geen aangifte gedaan heeft van haar verhuizing of vertrek. De rechtbank stelt dus vast dat ook aan de tweede voorwaarde van artikel 2.22, eerste lid, van de Wet BRP voldaan is.
Na gedegen onderzoek kunnen geen gegevens over hem worden achterhaald over het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland
5.3.
Op zichzelf is juist dat het college verplicht is om, voordat het iemand uitschrijft als ingezetene, gedegen onderzoek te doen naar de verblijfplaats van die persoon. Die verplichting is er niet alleen als de betrokken persoon zelf aanknopingspunten geeft voor onderzoek. Als het college echter in het geheel geen aanwijzingen heeft over de plaats waar iemand verblijft, is het niet mogelijk om daarnaar onderzoek te doen. [5]
5.4.
Het college stelt zich op het standpunt dat er geheel geen aanwijzingen zijn over de plaats waar eiseres verblijft, waardoor het niet mogelijk is om daarnaar onderzoek te doen. De rechtbank volgt dit standpunt. Eiseres stelt immers ondergedoken te zijn en op een geheim adres te verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank wordt daarom ook aan de derde voorwaarde van artikel 2.22, eerste lid, van de Wet BRP voldaan.
5.5.
De beroepsgrond van eiseres slaagt dus niet.

Conclusie en gevolgen

6. Naar het oordeel van de rechtbank is aan alle drie de voorwaarden uit artikel 2.22, eerste lid, van de Wet BRP voldaan. Het college moest dus het vertrek van eiseres uit Nederland ambtshalve opnemen. Het beroep is dus ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ze krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
6.1.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat op de zitting met beide partijen gesproken is over eventuele alternatieve mogelijkheden om toch een vorm van een BRP-inschrijving in Nederland te realiseren.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 3 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2827.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1245.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2827.
4.Zie de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 januari 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:306.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:59.