Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2022:306

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 januari 2022
Publicatiedatum
25 januari 2022
Zaaknummer
AWB- 20_10312
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.20 Wet BRPArt. 2.21 Wet BRPArt. 2.22 Wet BRP
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen uitschrijving uit de Basisregistratie Personen wegens ontbreken procesbelang

Eiser huurde vanaf 1 mei 2020 een woning, maar werd op 7 juli 2020 uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (BRP) door het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal, nadat het college een melding had ontvangen dat eiser niet meer op het adres verbleef. Eiser voerde aan dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan en dat hij onrechtmatig de toegang tot de woning werd geweigerd, waardoor hij niet kon reageren op brieven.

De rechtbank beoordeelde of het beroep ontvankelijk was en concludeerde dat eiser geen procesbelang had, omdat hij feitelijk al enige maanden niet meer in de woning verbleef en de huurovereenkomst was beëindigd. Hierdoor kon eiser niet bereiken dat het besluit tot uitschrijving ongedaan werd gemaakt.

Ook was niet gesteld of gebleken dat eiser schade had geleden door het besluit. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de uitschrijving uit de BRP wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/10312 BRP

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2022 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: mr. F. Ergec,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal,verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 5 augustus 2020 (primaire besluit) heeft het college besloten tot uitschrijving van eiser uit de Basisregistratie Personen (BRP).
In het besluit van 11 november 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 23 december 2021.
Hierbij waren eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig. Wel was aanwezig mr. M. van Leeuwen namens het college.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden
1. Eiser heeft met ingang van 1 mei 2020 de woning aan het [adres] in [plaatsnaam] gehuurd. Op 3 juni 2020 heeft het college een melding ontvangen dat eiser niet meer verblijft op dat adres. Naar aanleiding van deze melding is het college een adresonderzoek gestart.
Het college heeft eiser hiervan per brief van 10 juni 2020 op de hoogte gesteld en hem verzocht te reageren, dan wel aan te geven waar hij verblijft. Het college heeft hierop geen reactie ontvangen.
Per brief van 7 juli 2020 heeft het college het voornemen geuit om eiser uit te schrijven uit de BRP. Ook hierop heeft het college geen reactie van eiser ontvangen.
Bij het primaire besluit is eiser met ingang van 7 juli 2020 uitgeschreven uit de BRP naar ‘land onbekend’.
Tegen dit besluit heeft eiser op 17 augustus 2020 een bezwaarschrift ingediend.
Op 4 november 2020 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Tegen het bestreden besluit, waarbij de bezwaren van eiser ongegrond zijn verklaard, heeft eiser beroep ingesteld.
Geschil
2. Ter beoordeling ligt aan de rechtbank de vraag voor of het besluit van het college, waarbij eiser met ingang van 7 juli 2020 is uitgeschreven van het adres [adres] in [plaatsnaam] , standhoudt.
Standpunt van eiser
3. Eiser voert aan dat het college het besluit niet had kunnen nemen, omdat het geen “gedegen onderzoek” als bedoeld in artikel 2.22 van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) heeft uitgevoerd. Het college heeft slechts twee brieven naar het adres gestuurd, waarvan vermoed wordt dat eiser daar niet (meer) woont. De verhuurder heeft eiser onrechtmatig en zonder enige titel de toegang tot de woning geweigerd en de post achtergehouden. Er is onvoldoende moeite gedaan om eiser te bereiken.
Wettelijk kader
4. Artikel 2.22 van de Wet BRP luidt:
1. Indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland.
2. Als datum van vertrek uit Nederland en van opheffing van het adres wordt de dag opgenomen waarop het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het vertrek is bekendgemaakt.
Beoordeling door de rechtbank
5.1
De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of eiser voldoende procesbelang heeft bij het voorliggende beroep.
Het procesbelang is het belang dat eiser heeft bij de uitkomst van de procedure, wat hij concreet met zijn bezwaar of (hoger) beroep wil/kan bereiken. Het betreft niet de vraag óf eiser gelijk heeft, het gaat erom of hij een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als hij dat zou hebben. Reëel belang vereist dat er nog sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit. Het doel dat hem voor ogen staat, moet met het rechtsmiddel kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis zijn. Het ontbreken van het procesbelang staat in de weg aan de ontvankelijkheid van het beroep.
5.2
Vaststaat dat eiser ten tijde van het bestreden besluit al enige maanden niet meer in de woning is geweest, omdat de verhuurder de sloten had vervangen. Daarnaast staat vast dat de huurovereenkomst inmiddels is beëindigd. Hierdoor is het feitelijk onmogelijk geworden om op dit adres ingeschreven te zijn. Eiser kan met de onderhavige procedure dus niet bereiken dat het besluit van het college tot uitschrijving uit de BRP ongedaan gemaakt wordt en eiser alsnog wordt ingeschreven op het genoemde adres. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond hiervan dan ook geen procesbelang worden aangenomen. Bovendien is gesteld noch gebleken dat eiser schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit. Ook dit kan dus niet leiden tot het aannemen van procesbelang.
Conclusie
6. Op grond van het voorgaande zal het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Graumans, griffier, op 27 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak mede te ondertekenen.
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.