Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1967

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
25/2798
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 1a:1 WajongArt. 3:1 WajongArt. 3:2 WajongArt. 3:3 Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering terugkomen op intrekking Wajonguitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Eiseres, geboren in 1980, had sinds 2000 een Wajonguitkering die in 2005 werd ingetrokken na een herbeoordeling waarbij werd vastgesteld dat zij geen beperkingen meer had. Eiseres heeft sindsdien meerdere aanvragen gedaan om terug te komen op deze intrekking, waaronder een verzoek in 2024. Het UWV wees deze verzoeken af, stellende dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die herziening rechtvaardigen.

De rechtbank heeft het dossier en de medische rapportages van verzekeringsartsen en GGZ-instellingen beoordeeld. De medische stukken die eiseres overlegt, bevatten geen nieuwe informatie die aanleiding geeft om eerdere besluiten te herzien. De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op de besluiten van 2005, 2007 en 2010. Ook is geen sprake van recht op een Wajonguitkering op grond van de Amberbepaling, omdat er geen toename van beperkingen binnen vijf jaar na intrekking is vastgesteld.

De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en ziet geen aanleiding om het UWV te veroordelen in proceskosten. De toezegging van het UWV om reiskosten te vergoeden wordt erkend, maar niet afgedwongen door de rechtbank.

Uitkomst: Het beroep tegen het UWV-besluit om niet terug te komen op de intrekking van de Wajonguitkering is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2798 WAJONG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(UWV; kantoor Eindhoven), verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Het UWV heeft in het verleden de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong) ingetrokken. Deze uitspraak gaat over de weigering van het UWV om terug te komen op dat besluit en de daaropvolgende besluiten over de Wajong-uitkering van eiseres en de weigering eiseres geen uitkering toe te kennen op grond van de Amberbepaling. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op die besluiten.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 8 maart 2024 een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend, waarin zij heeft aangegeven dat zij denkt in aanmerking te kunnen komen voor een Wajong-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag beschouwd als een verzoek om terug te komen op eerdere besluiten en in het bijzonder op het besluit waarmee de Wajong-uitkering met ingang van 1 juni 2005 is ingetrokken (herzieningsverzoek). Het UWV heeft dat verzoek met het primaire besluit van 21 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 april 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij die afwijzing gebleven. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
2.1
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1
Eiseres is geboren op [geboortedag] 1980. Tot juli 1998 was zij schoolgaand. In 1998/1999 heeft zij 118,5 uur gewerkt als uitzendkracht. Voor dat werk is zij op 27 januari 1999 uitgevallen met psychische klachten. Over de periode september 1999 tot september 2000 is eiseres bij [zorginstelling] opgenomen geweest voor psychotherapeutische behandeling.
3.2
Op 27 april 2000 heeft eiseres bij het UWV een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. Het UWV heeft die uitkering aan eiseres toegekend. Aan dat besluit ligt de rapportage van [verzekeringsarts 1] van 26 juni 2000 ten grondslag. De verzekeringsarts komt in die rapportage tot de conclusie dat eiseres recht heeft op een Wajong-uitkering omdat zij door opname in een psychotherapeutisch centrum geen benutbare mogelijkheden heeft.
3.3
In het kader van een vijfjaarlijkse herbeoordeling heeft [verzekeringsarts 1] eiseres op 12 november 2002 gezien. Hij concludeerde dat eiseres duurzaam benutbare mogelijkheden heeft en heeft haar beperkingen vastgesteld. Met inachtneming van deze beperkingen heeft [arbeidsdeskundige 1] in de rapportage van 4 december 2002 de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres vastgesteld op 45 tot 55%. Dit percentage is met ingang van 5 februari 2003 gaan gelden.
3.4
Daarna heeft eiseres verzocht om herbeoordeling vanwege toegenomen psychische klachten. [verzekeringsarts 1] heeft dat verzoek beoordeeld en in de rapportage van
26 februari 2003 geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor een wijziging in de psychische toestand van eiseres ten opzichte van haar toestand op 12 november 2002.
3.5
Op 4 mei 2005 heeft [verzekeringsarts 1] eiseres herbeoordeeld. Op dat moment werkte eiseres 22 uur per week in [kledingwinkel] . [verzekeringsarts 1] concludeerde dat er geen sprake meer is van beperkingen als gevolg van ziekte. Met het besluit van 18 mei 2005 heeft het UWV daarom de Wajong-uitkering van eiseres met ingang van 1 juni 2005 ingetrokken.
3.6
Op 4 november 2005 heeft eiseres zich ziek gemeld. [verzekeringsarts 2] heeft eiseres in de bijstelling probleemanalyse van 15 augustus 2006 per 21 augustus 2006 hersteld gemeld.
3.7
Op 8 augustus 2007 heeft eiseres zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld en een beroep gedaan op de Amberregeling. Met het besluit van 14 november 2007 heeft het UWV geweigerd weer een Wajong-uitkering aan eiseres toe te kennen. Het UWV heeft dit besluit gebaseerd op de rapportage van [verzekeringsarts 1] van 7 november 2007.
3.8
Op 9 december 2009 heeft eiseres een aanvraag om een Wajong-uitkering ingediend.
Met het besluit van 30 maart 2010 heeft het UWV geweigerd aan eiseres een Wajong-uitkering te verstrekken, omdat zij met ingang van 6 december 2008 minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. Aan dit besluit liggen de rapportages van [verzekeringsarts 3] van 26 februari 2010 en van [arbeidsdeskundige 2] van 29 maart 2010 ten grondslag.
3.9
Op 8 maart 2024 heeft eiseres een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend.
Het UWV heeft deze aanvraag beschouwd als een verzoek om terug te komen op eerdere besluiten en specifiek op het besluit waarmee de Wajong-uitkering met ingang van 1 juni 2005 ingetrokken is (herzieningsverzoek). Het UWV heeft dat verzoek met het primaire besluit van 21 augustus 2024 afgewezen.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 16 april 2025 heeft het UWV dit bezwaar ongegrond verklaard.
Grondslag van het bestreden besluit
4. Aan het bestreden besluit liggen de rapportages van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) ten grondslag.
4.1
De verzekeringsarts heeft dossieronderzoek verricht. Hij heeft gerapporteerd dat er sprake is van een sterk laattijdige aanvraag zonder specifieke motivering. Eiseres heeft eerder een Wajong-uitkering gehad van 1998 tot 2005. Daarna heeft eiseres aanvragen gedaan in 2007 en 2010, die zijn afgewezen. Er is toen geconcludeerd dat er geen sprake was van een toename van arbeidsongeschiktheid binnen 5 jaar na beëindiging van de uitkering. Volgens de verzekeringsarts kan eiseres daarom alleen nog voor een Wajong-uitkering in aanmerking komen wanneer wordt teruggekomen op de eerdere beoordelingen. De verzekeringsarts stelt dat er bij de aanvraag geen gegevens zijn verstrekt die aanleiding geven om terug te komen op de eerdere afwijzende besluiten. Daarnaast merkt hij op dat een toename van beperkingen nà 5 jaar niet kan leiden tot toekenning van een Wajong-uitkering. De versoepeling van de voorwaarden voor toekenning van een uitkering per 1 januari 2021 geldt alleen wanneer de uitkering is ingetrokken na 1 januari 2016. Dat is hier niet het geval.
4.2
De verzekeringsarts b&b heeft eveneens dossieronderzoek verricht. Over het door eiseres overgelegde ongedateerde ondersteuningsprofiel stelt hij dat dit stuk, gelet op de vermelding dat eiseres 43 jaar is, waarschijnlijk dateert uit de periode tussen februari 2023 en februari 2024. Volgens de verzekeringsarts b&b heeft deze informatie daarom geen betrekking op het 18e levensjaar van eiseres of de beoordelingen in 2005, 2007 of 2010. Over de aantekeningen van hulpverleners [persoon 1] en [persoon 2] (GGZ) van 24 maart 2003, die eiseres in bezwaar heeft overgelegd, stelt de verzekeringsarts b&b dat dit stuk eerder overgelegd had kunnen worden. Dat stuk vormt dan ook geen nieuw feit. In verband met de duuraanspraak heeft de verzekeringsarts b&b dit stuk inhoudelijk beoordeeld. In dit stuk worden een eetstoornis (boulimia) met cluster-C en cluster-B persoonlijkheidskenmerken en behandeling (medicatie en tweedaagse deeltijdbehandeling) vermeld. Dit is volgens de verzekeringsarts b&b geen inhoudelijk nieuwe informatie. Hieruit blijkt niet van een ander ziektebeeld of ernstigere pathologie die aanleiding geeft tot meer beperkingen. Dit werpt volgens de verzekeringsarts b&b dan ook geen nieuw licht op de verzekeringsgeneeskundige beoordelingen in 2005, 2007 en 2010.
4.3
In beroep heeft de verzekeringsarts b&b gereageerd op de door eiseres in beroep overgelegde informatie. Hij stelt dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, omdat eiseres deze stukken eerder had kunnen overleggen. Die informatie is volgens de verzekeringsarts b&b ook geen reden om in het kader van een duuraanspraak aan eiseres een Wajong-uitkering toe te kennen. Uit die stukken blijkt volgens hem namelijk geen andere medische informatie dan al bekend was. De verzekeringsgeneeskundige beoordeling in 2005 sluit voor wat betreft de gestelde medische pathologie (aard en ernst) aan bij wat uit de overgelegde medische gegevens blijkt. De destijds gestelde beperkingen zijn volgens de verzekeringsarts b&b juist en er is geen reden om meer beperkingen aan te nemen. Dat geldt volgens hem ook voor de beoordelingen in 2007 en 2010. Uit de overgelegde gegevens blijkt namelijk dat de klachten van eiseres in de periode tussen 2005 en 2007 juist minder zijn geworden. Zo blijkt uit de informatie van de GGZ van 5 maart 2007 dat behandeling en begeleiding wordt beëindigd omdat eiseres geen verdere klachten heeft. Ook ten aanzien van de beoordeling in 2010 blijkt volgens de verzekeringsarts b&b uit de overgelegde stukken geen andere medische situatie (voor wat betreft pathologie en de ernst daarvan) om er van uit te gaan dat er meer beperkingen gelden.
Standpunt van eiseres
5.1
Eiseres stelt dat haar diagnoses (borderline persoonlijkheidsstoornis, depressie en dysthyme stoornis) sinds zij in 2000 80 tot 100% afgekeurd is, tot op heden niet veranderd zijn. Er zijn alleen maar diagnoses bijgekomen, zoals een angst- en paniekstoornis en een bipolaire stoornis.
5.2
Eiseres heeft 1,5 jaar psychiatrische dagbehandeling gevolgd bij het [ziekenhuis] en in 2014 1,5 dagbehandeling/MBT bij GGZ [plaats] in verband met borderline persoonlijkheidsproblematiek. Omdat eiseres toen zwaar alcoholverslaafd was, heeft zij de behandeling niet af kunnen maken. In 2015 belandde eiseres door een overdosis speed in het ziekenhuis en is zij afgekickt. Hierna heeft eiseres nog behandelingen gehad bij GGZ, EMDR en VERS-training, maar die hebben niet geholpen. Eiseres heeft paniekaanvallen, is depressief en gebruikt daarvoor sinds 2015 medicatie. Tot nu toe is eiseres alleen maar bezig met proberen clean te blijven en voor zichzelf te zorgen. Zij kan niet werken, al
20 jaar niet, sinds haar laatste ‘baan’ bij [kledingwinkel] in 2004. Eiseres heeft haar uiterste best gedaan om zelf haar inkomsten te verwerven, maar dat heeft haar een speedverslaving en uitputting opgeleverd.
5.3
Eiseres is indertijd noodgedwongen een opleiding gaan volgen en gaan werken maar eigenlijk kon zij dat niet vanwege de borderline en depressie. Als gevolg daarvan heeft zij een burn-out en boulimia ontwikkeld. Ook de baan bij [kledingwinkel] kon zij niet aan maar heeft zij geaccepteerd omdat zij heel eenzaam was. Na haar ontslag daar was eiseres compleet uitgeput en verslaafd aan alcohol, wiet en speed. De UWV-arts zag indertijd niet hoe slecht het met haar ging, maar zag alleen dat zij had gewerkt. Eiseres was te overrompeld om daartegen iets te doen.
5.4
Geen enkele arts heeft eiseres ooit genezen verklaard, behalve [verzekeringsarts 1] omdat hij van mening was dat er geen ziekte of gebreken meer aanwezig waren doordat eiseres een korte periode had kunnen werken. Hij wuifde de uitleg van eiseres hoe slecht het met haar ging weg, want hij vond dat er niets aan de hand was omdat zij had kunnen werken.
5.5
Eiseres heeft geprobeerd haar eigen inkomen te gaan verdienen, omdat zij de verzekering had gekregen dat als dat niet zou lukken zij terug kon vallen op een Wajong-uitkering, maar dat bleek niet het geval. Als zij dat had geweten, dan was zij er niet aan begonnen. Eiseres was en is het dus niet eens met intrekking van haar uitkering.
5.6
Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres verschillende medische stukken overgelegd, waaronder informatie van de huisarts, van [psycholoog 1] , van [sociaal psychiatrisch verpleegkundige] , van [psychotherapeut] , van de GGZ en van [psychiater] .
Wettelijk kader
6. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Overwegingen van de rechtbank
7.1
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak). [1]
7.2
Het UWV heeft op het verzoek van eiseres om terug te komen van het besluit van 18 mei 2005, waarbij de Wajong-uitkering van eiseres met ingang van 1 juni 2005 is beëindigd, beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden zal worden getoetst of het UWV zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die aanleiding geven het besluit van 18 mei 2005 te herzien. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [2]
De rechtbank gaat er van uit dat eiseres met haar herzieningsverzoek niet alleen bedoeld heeft dat het UWV moet terugkomen op zijn besluit van 18 mei 2005, maar ook op de besluiten van 14 november 2007 en 30 maart 2010.
Nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden
7.3
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Nieuwe stukken ter onderbouwing van de ingenomen stellingen kunnen uiterlijk in de bezwaarfase worden ingebracht. Stukken die pas in beroep worden overgelegd worden bij de 4:6-toets buiten beschouwing gelaten. In het kader van de Amberbeoordeling en de duuraanspraak moeten deze stukken wel worden betrokken. [3]
7.4
Met betrekking tot de door eiseres in bezwaar overgelegde medische informatie heeft de verzekeringsarts b&b naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld dat dit geen nieuwe informatie is, zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. Deze stukken bevonden zich al in het dossier en waren bij het UWV bekend, dan wel had eiseres die stukken (de aantekeningen van [persoon 1] en [persoon 2] van 24 maart 2003) eerder kunnen overleggen. De rechtbank is van oordeel dat het UWV het verzoek van eiseres om terug te komen op de eerdere besluiten van 18 mei 2005, 14 november 2007 en 30 maart 2010 heeft mogen afwijzen vanwege het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
Evident onredelijk/duuraanspraak
7.5
Als er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden moet worden beoordeeld of het evident onredelijk is om de eerdere besluiten uit 2005, 2007 en 2010 niet te herzien en of duuraanspraak aan de orde is. Bij de beoordeling of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is, ligt niet de vraag voor of het oorspronkelijke besluit onredelijk of onjuist is, maar de vraag of dat besluit onmiskenbaar onjuist is. Van onmiskenbare onjuistheid is sprake als bij oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of summier onderzoek al blijkt dat het oorspronkelijke besluit onjuist is. [4]
Bij zowel de toets of het evident onredelijk is om voor het verleden niet terug te komen op de eerdere besluiten als bij de toets of het eerdere besluit voor de toekomst moet worden herzien (duuraanspraak) geldt dat rekening moet worden gehouden met alle voorhanden zijnde gegevens; ook de gegevens die bij de 4:6 toets niet als nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangemerkt en (zoals hiervoor ook al genoemd) ook de gegevens die pas na de bezwaarfase zijn overgelegd.
7.6
De verzekeringsarts b&b heeft gesteld dat uit de door eiseres overgelegde stukken geen andere medische informatie blijkt dan al bekend was. Uit de stukken blijkt volgens hem niet van een ander ziektebeeld of ernstigere pathologie die aanleiding geeft tot meer beperkingen. Die stukken werpen volgens de verzekeringsarts b&b dan ook geen nieuw licht op de beoordelingen in 2005, 2007 en 2010. Uit de overgelegde gegevens, waaronder van de GGZ van 5 maart 2007, blijkt volgens de verzekeringsarts b&b dat de klachten van eiseres in de periode tussen 2005 en 2007 juist minder zijn geworden.
7.7
De rechtbank leidt uit de rapportage van [verzekeringsarts 1] van 4 mei 2005 af dat hij de diagnoses spanningsklachten en depressieve episode heeft betrokken. Hij rapporteert dat eiseres op dat moment 22 uur per week werkte in [kledingwinkel] . Daar werkte zij sinds 21 februari 2004. In eerste instantie werkte eiseres voor 40 uur per week, later is dat verlaagd naar 36 uur, 30 uur en 22 uur. Uit de rapportage blijkt niet dat de psychische toestand van eiseres reden was voor verlaging van het aantal werkuren naar
22 uur per week. Uit de rapportage blijkt juist dat het psychisch redelijk tot goed ging met eiseres. Volgens de verzekeringsarts hebben sociale factoren in het werk eiseres doen besluiten minder uren te gaan werken. Ze is geconfronteerd met een nieuwe college (de vrouw van de baas) die haar verantwoordelijkheden heeft overgenomen waarmee een gevoel van degradatie is ontstaan. De verzekeringsarts heeft gesteld dat eiseres geen beperkingen meer heeft voor arbeid. Eiseres is volgens hem door behandeling en arbeidservaring sterker geworden en ervaart geen belemmeringen meer in haar functioneren. De verzekeringsarts geeft aan dat eiseres actief kijkt naar aanvullende of volledig vervangende fulltime werkzaamheden.
De rechtbank leidt uit de brief van [sociaal psychiatrisch verpleegkundige] van 18 januari 2006 en uit de informatie van [psycholoog 2] (GGZ Midden-Brabant) van 22 mei 2006 af dat eiseres vanaf september 2003 tot begin 2006 redelijk gefunctioneerd heeft, maar is teruggevallen na beëindiging van de werkzaamheden bij [kledingwinkel] . Zij is toen (weer) bij de GGZ aangemeld met depressieve klachten. De psycholoog stelt de diagnose persoonlijkheidsstoornis met borderline, narcistische, ontwijkende en afhankelijke trekken, adviseert ambulante psychotherapeutische behandeling en heeft met eiseres nut en noodzaak besproken om spoedig werk te hervatten.
Bij [verzekeringsarts 2] geeft eiseres op 15 augustus 2006 aan dat het beter gaat dan vorige keer en dat zij zelf aan het solliciteren is. Zij wil parttime werk in de administratieve sfeer of in de verkoop.
Op 5 maart 2007 meldt [psycholoog 3] dat de stemmingsklachten sterk verminderd zijn en dat eiseres stelt geen klachten van depressieve aard meer te hebben en dat zij geen motivatie meer heeft voor therapie.
[verzekeringsarts 1] heeft in de rapportage van 7 november 2007 informatie van de GGZ betrokken en rekening gehouden met de diagnose dat bij eiseres een persoonlijkheids-stoornis met borderlinetrekken is vastgesteld. De verzekeringsarts rapporteert dat eiseres aangeeft dat haar leven eigenlijk niet zo verloopt als ze graag zou willen, dat ze er nog niet in geslaagd is een leuke baan te vinden en dat ze feitelijk niet rond kan komen van haar bijstandsuitkering. Hij geeft aan dat eiseres haar persoonlijkheidsproblematiek benoemt en weet dat al meerdere malen door verschillende deskundigen is aangegeven dat het zo normaal mogelijk deelnemen aan het leven van alledag het beste is voor haar, inclusief werken. Uit het dagverhaal komen volgens de verzekeringsarts ook geen belemmeringen in het dagelijks leven naar voren. Er is in het functioneren van eiseres ook geen verandering gekomen. Anamnese en onderzoek sluiten volgens hem naadloos aan bij de beoordeling in 2005. De verzekeringsarts ziet dan ook net als bij de beoordeling in 2005 geen reden om beperkingen als gevolg van ziekte aan te nemen. Eiseres is in staat tot het verrichten van arbeid in het vrije bedrijf maar krijgt hiertoe te weinig stimulerende impulsen.
Ook [verzekeringsarts 3] heeft in de rapportage van 26 februari 2010 rekening gehouden met de borderline persoonlijkheidsstoornis van eiseres en met het (ongedateerde) arbeidspsychologisch advies van [psycholoog 4] . De verzekeringsarts rapporteert dat er al jarenlang sprake is van hevige stemmingswisselingen met in depressieve periodes ook overmatige alcoholintake. Eiseres heeft vanaf begin 2007 tot en met mei 2008 een intensieve dagbehandeling gevolgd voor haar persoonlijkheidsproblemen. De vaststelling in 2007 dat er geen ziekte of gebrek is, is volgens de verzekeringsarts dan ook niet juist. Op het moment van het eigen onderzoek bestaan er volgens de verzekeringsarts, in tegenstelling tot de conclusies in het arbeidspsychologisch advies, echter wel mogelijkheden tot arbeid met beperkingen op persoonlijk en sociaal vlak. Bij oriënterend psychisch onderzoek worden door de verzekeringsarts geen aanwijzingen gezien voor een onderliggende depressieve of angstige stoornis. Eiseres doet op dat moment ook vrijwilligerswerk.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b afdoende gemotiveerd dat de ingediende stukken geen nieuw licht werpen op voormelde beoordelingen uit 2005, 2007 en 2010 en dat uit die stukken niet van een ander beeld van de medische situatie van eiseres blijkt dan door de verzekeringsartsen in 2005, 2007 en 2010 vastgesteld. Zo is er in de beoordelingen van 2007 en 2010 rekening gehouden met de diagnose persoonlijkheids-stoornis met borderlinetrekken die in 2006 gesteld is en met de door [psychiater] in zijn rapportage van 13 januari 2011 benoemde dysthyme stoornis/persisterende depressieve stoornis. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de beoordelingen (achteraf bezien onmiskenbaar) onjuist waren. Alhoewel [verzekeringsarts 3] stelt dat de vaststelling in 2007 dat er geen ziekte of gebrek is onjuist is, is niet gebleken dat eiseres in november 2007 dusdanig beperkt was dat recht bestond op een Wajong-uitkering.
Op grond van het voorgaande is het afwijzen van het verzoek tot herziening van de eerdere besluiten niet evident onredelijk. Omdat uit het voorgaande volgt dat op grond van alle overgelegde informatie geen reden bestaat om de beperkingen van eiseres anders vast te stellen, heeft het UWV ook terecht geen aanleiding gezien om voor de toekomst (vanaf de aanvraag van 8 maart 2024) terug te komen op de eerdere beoordelingen (duuraanspraak).
Amberbeoordeling
7.8
Van een Ambersituatie is, in het geval van eiseres, sprake als zij binnen 5 jaar na de datum van intrekking van haar Wajong-uitkering weer uit dezelfde ziekteoorzaak arbeidsongeschikt is geworden. Het gaat in beginsel om de periode van 1 juni 2005 tot
1 juni 2010.
7.9
De rechtbank stelt vast dat een deel van deze periode al is beoordeeld door verzekeringsartsen [verzekeringsarts 1] en [verzekeringsarts 3] in respectievelijk de rapportages van
7 november 2007 en 26 februari 2010. Voor de Amberperiode gaat het daarom alleen nog over de (nog niet beoordeelde) periode van 26 februari 2010 tot 1 juni 2010.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de stukken niet van een toename van de beperkingen van eiseres in deze periode. Eiseres heeft bovendien op zitting bevestigd dat er van een toename geen sprake is; zij is doorlopend niet in staat geweest om te werken.
Voor toekenning van een Wajong-uitkering op grond van de Amberbepaling kan daarom geen sprake zijn.

Conclusie en gevolgen

8.1
De rechtbank komt tot de slotsom dat het UWV terecht geweigerd heeft om de besluiten van 18 mei 2005, 14 november 2007 en 30 maart 2010 te herzien en eiseres terecht geen uitkering op grond van de Amberbepaling is toegekend. Het beroep is daarom ongegrond. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om het UWV te veroordelen in betaling van de proceskosten of het griffierecht aan eiseres.
8.2
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het UWV op zitting heeft toegezegd de reiskosten van eiseres te vergoeden. De rechtbank gaat er van uit dat het UWV die toezegging nakomt maar ziet – zoals overwogen – geen aanleiding om het UWV daartoe te veroordelen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Koek, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 20 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: Wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:6
Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Wajong
Artikel 1a:1, eerste lid (instroom vanaf 2015)
Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is de ingezetene die:
op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Artikel 1a:1, tweede lid
De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.
Artikel 1a:1, vierde lid
Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
Artikel 3:1 (instroom voor 2010)
1. Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, in de zin van dit hoofdstuk, is de persoon die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij woont of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen.
Artikel 3:2
Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag arbeidsongeschikt wordt en in het jaar, onmiddellijk voorafgaande aan de dag, waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Artikel 3:3
1. De jonggehandicapte heeft recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering zodra hij onafgebroken 52 weken, onmiddellijk volgend op de in artikel 3:2, onderdeel a of b bedoelde dag, arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van dat tijdvak nog arbeidsongeschikt is.
5. Voor de toepassing van het eerste tot en met derde lid wordt niet als arbeidsongeschikt beschouwd degene die minder dan 25% arbeidsongeschikt is alsmede de jonggehandicapte die een uitkering geniet als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 3:19
1. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt:
b. wanneer de arbeidsongeschiktheid is geëindigd, of beneden 25% is gedaald, met ingang van de dag, aangegeven in de daartoe strekkende beschikking van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Artikel 3:21 (zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2021)
1. Indien de jonggehandicapte:
a. wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 3:19, eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken; of
b. die aan het einde van de wachttijd, bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling, maar geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was;
binnen vijf jaar na de datum van die intrekking dan wel binnen vijf jaar na het bereiken van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten dan wel als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling voortkomt, vindt toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

Voetnoten

1.bijvoorbeeld de uitspraak van 14 september 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:1991)
2.bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 22 januari 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:88)
3.zie de uitspraken van de CRvB van 19 juni 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:961), 27 november 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:2232 en 25 januari 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:148)
4.uitspraak van de CRvB van 9 december 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1796)