ECLI:NL:RBZWB:2026:18
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van een beroep tegen een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm)
In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 6 januari 2026, wordt het beroep van belanghebbende, een B.V. uit [plaats], tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 november 2023 beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag van € 4.128 aan Bpm opgelegd, samen met € 20 belastingrente. Het bezwaar van belanghebbende werd door de inspecteur ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 behandeld, waarbij mr. M.U. Sahin namens belanghebbende en twee inspecteurs aanwezig waren.
De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht zijn opgelegd. Belanghebbende had een melding gedaan voor de registratie van een Audi Q3 Sportback en een Bpm van € 10.297 voldaan. De inspecteur stelde echter dat de verschuldigde Bpm € 14.425 bedroeg, wat leidde tot de naheffingsaanslag. De rechtbank beoordeelt de beroepsgronden van belanghebbende, waaronder de toepassing van de herleidingsmethode en de hoogte van de historische nieuwprijs. De rechtbank concludeert dat de herleidingsmethode niet kan worden toegepast en dat de historische nieuwprijs op € 128.300 moet worden vastgesteld.
Daarnaast heeft belanghebbende verzocht om een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met acht maanden is overschreden en kent een schadevergoeding van € 1.000 toe, waarvan € 125 voor rekening van de inspecteur en € 875 voor rekening van de Staat. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, maar wijst de schadevergoeding toe en kent proceskosten toe aan belanghebbende.