ECLI:NL:RBZWB:2026:18

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
23/12040
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een beroep tegen een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm)

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 6 januari 2026, wordt het beroep van belanghebbende, een B.V. uit [plaats], tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 november 2023 beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag van € 4.128 aan Bpm opgelegd, samen met € 20 belastingrente. Het bezwaar van belanghebbende werd door de inspecteur ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 behandeld, waarbij mr. M.U. Sahin namens belanghebbende en twee inspecteurs aanwezig waren.

De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht zijn opgelegd. Belanghebbende had een melding gedaan voor de registratie van een Audi Q3 Sportback en een Bpm van € 10.297 voldaan. De inspecteur stelde echter dat de verschuldigde Bpm € 14.425 bedroeg, wat leidde tot de naheffingsaanslag. De rechtbank beoordeelt de beroepsgronden van belanghebbende, waaronder de toepassing van de herleidingsmethode en de hoogte van de historische nieuwprijs. De rechtbank concludeert dat de herleidingsmethode niet kan worden toegepast en dat de historische nieuwprijs op € 128.300 moet worden vastgesteld.

Daarnaast heeft belanghebbende verzocht om een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met acht maanden is overschreden en kent een schadevergoeding van € 1.000 toe, waarvan € 125 voor rekening van de inspecteur en € 875 voor rekening van de Staat. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, maar wijst de schadevergoeding toe en kent proceskosten toe aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/12040

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende
tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.128 aan verschuldigde Bpm. Gelijktijdig met het opleggen van de naheffingsaanslag is € 20 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag en de
belastingrentebeschikking terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking zijn terecht en naar de juiste bedragen opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 22 september 2022 een melding gedaan ter zake van de
registratie van een Audi Q3 Sportback TFSI RS met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 10.297.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 14.425 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden
toegepast. Verder is in geschil de hoogte van de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat.
Herleidingsmethode
4.1.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Historische nieuwprijs
4.2.
De rechtbank leidt uit de stukken af dat beide partijen uitgaan van een netto catalogusprijs van € 78.118. Partijen hebben ter zitting desgevraagd verklaard dat voor het bepalen van de historische nieuwprijs moet worden uitgegaan van het Bpm-tarief zoals dit gold op het moment van de datum eerste tenaamstelling van de auto van 10 maart 2020. Dit geldt ook als voor het bepalen van de verschuldigde Bpm mag worden uitgegaan van het tussentijds tarief per 1 juli 2020. De rechtbank acht dat juist en gaat voor het bepalen van de historische nieuwprijs daarom uit van een historische bruto Bpm van € 33.777.
4.3.
De rechtbank stelt de historische nieuwprijs daarom vast op € 128.300 zoals door belanghebbende bepleit en verwijst hiervoor naar hetgeen de Hoge Raad heeft bepaald in zijn arrest van 22 december 2023. [2]
Handelsinkoopwaarde in beschadigde staat
4.4.
Beide partijen gaan uit van de taxatiemethode. In dat geval is de koerslijstwaarde slechts een uitgangspunt. De getaxeerde waarde zal dan van de koerslijstwaarde verschillen vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van de auto ten opzichte van de gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht. [3]
4.5.
Beide partijen zijn eerder uitgegaan van een koerslijst van Eurotax die bij het rapport van DRZ is gevoegd. Uit deze koerslijst volgt een handelsinkoopwaarde van € 57.243. De inspecteur heeft zich in zijn verweerschrift nader op het standpunt gesteld dat de handelsinkoopwaarde op een hoger bedrag moet worden vastgesteld. Hij stelt dat moet worden uitgegaan van de koerslijst van AutotelexPro waaruit een handelsinkoopwaarde volgt van € 71.780. Belanghebbende heeft gesteld dat de waarde uit de koerslijst van Eurotax wel kan worden gevolgd en dat een waardevermindering wegens schade op de handelsinkoopwaarde in mindering moet worden gebracht, plus de overige waardevermindering zoals vermeld in zijn taxatierapport.
4.6.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 12.873 en deze voor 85% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Daarnaast heeft hij nog een bedrag van € 5.409 in mindering gebracht wegens een schadeverleden. De hertaxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.7.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto destijds twee en half jaar oud was en 29.306 kilometer had gereden. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat volgens de verkoopadvertentie de auto op 14 oktober 2022 te koop stond voor een bedrag van € 89.950 met de omschrijving “Het betreft een overcomplete en in nieuwstaat verkerende Audi RSQ3”. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Verder heeft belanghebbende voor een waardevermindering wegens een schadeverleden geen onderbouwing gegeven en dus niet aannemelijk gemaakt. Al hetgeen de inspecteur met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer.
4.8.
De rechtbank acht belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, ook niet in het bewijs geslaagd dat de koerslijstwaarde van Eurotax in dit geval de waarde van de auto weergeeft. De rechtbank stelt vast dat het verschil tussen beide koerslijsten afgerond € 15.000 bedraagt. Partijen hebben geen duidelijkheid kunnen geven over de oorzaak van dit verschil, zodat niet kan worden vastgesteld welke koerslijstwaarde het beste als uitgangspunt kan worden gehanteerd. Wel is de rechtbank van oordeel dat als beide koerslijsten in acht worden genomen en ook gelet op de verkoopadvertentie, de handelsinkoopwaarde van € 57.243 uit de koerslijst van Eurotax te laag is. Daarbij merkt de rechtbank op dat de verkoopadvertentie een indicatie kan geven dat in dit geval sprake is van een betere staat van de auto of van bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen ten opzichte van de referentievoertuigen, waardoor de auto meer waard is. Niet aannemelijk is dat de handelsinkoopwaarde moet worden vastgesteld op de koerslijstwaarde van Eurotax of een zodanig (beperkt) hoger bedrag dat dit tot een verlaging van de verschuldigde Bpm leidt. De naheffingsaanslag is daarom niet tot een hoog bedrag opgelegd.
4.9.
Voor het geval de taxatiemethode niet kan worden toegepast omdat de rechtbank van oordeel is dat geen waardevermindering wegens schade in aanmerking kan worden genomen, en de auto wel zou voorkomen in een koerslijst, stelt de rechtbank vast dat door belanghebbende geen beroep is gedaan op een andere afschrijvingsmethode. In dat geval moet de afschrijving worden bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. Dit leidt eveneens niet tot een verlaging van de naheffingsaanslag.
Belastingrente
4.10.
Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de belastingrentebeschikking aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.
Immateriële schadevergoeding
4.11.
Belanghebbende heeft op 19 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.12.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 12 mei 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 6 januari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond acht maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.000.
4.13.
Omdat de bezwaarfase afgerond zeven maanden heeft geduurd en daarmee één maand te lang, komt € 125 (1/8e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 875) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële
schadevergoeding van € 1.000.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [4] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [5] , maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 125;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 875;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
4.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
5.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.