ECLI:NL:RBZWB:2026:1748

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
23/11188
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 8 Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling juiste naheffingsaanslag BPM en toekenning hogere kostenvergoeding en immateriële schadevergoeding

Belanghebbende deed op 20 april 2021 aangifte BPM voor een Land Rover Range Rover Sport en betaalde € 2.379. De inspecteur legde een naheffingsaanslag van € 6.794 op, verminderd tot € 6.727 na bezwaar. De rechtbank beoordeelt de juistheid van deze naheffingsaanslag en de kostenvergoeding.

De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 en de toepassing van de taxatiemethode voor afschrijving. Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van meer dan normale gebruiksschade dan reeds in aanmerking genomen.

Wel wordt belanghebbende een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend, conform het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024. Tevens krijgt belanghebbende een immateriële schadevergoeding van in totaal € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan € 667 voor rekening van de inspecteur en € 833 voor de Staat. De inspecteur moet ook het griffierecht en proceskosten vergoeden.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt bevestigd, belanghebbende krijgt een hogere kostenvergoeding en een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11188
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 6.794 (de naheffingsaanslag). Tevens heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht van € 9 (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 6.727.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2].

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag, zoals deze luidt na de uitspraak op bezwaar, terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Verder beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Wel heeft belanghebbende recht op een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase en een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 20 april 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Land Rover Range Rover Sport 3.0 SDV6 HSE Dynamic met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 2.379.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 9.173 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.
4.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd. Tevens heeft de inspecteur een kostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase van € 592. [1]

Motivering

Herleidingsmethode
4.4.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [2] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Afschrijvingsmethode
4.5.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. [3]
4.6.
De wijze van vaststellen van het afschrijvingspercentage wordt voor wat betreft de taxatiemethode geregeld in artikel 10, lid 8, Wet BPM. Deze methode beoogt te komen tot een waarde die de werkelijke waarde van het te registreren motorrijtuig zo goed mogelijk benadert en aldus een reële waardedaling van het desbetreffende motorrijtuig vast te stellen. Bij toepassing van de taxatiemethode geldt dat de taxateur als referentie voor het bepalen van een (bij benadering) reële waardedaling van het te registreren motorrijtuig ook gebruik kan maken van de handelsinkoopwaarde die is opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor een referentievoertuig, dat wil zeggen een in zo’n koerslijst voorkomend gelijksoortig, in Nederland geregistreerd motorrijtuig waarvan de eigenschappen en de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het te registreren motorrijtuig. [4]
Toepassing taxatiemethode
4.7.
De inspecteur heeft gesteld dat het door belanghebbende bij het doen van de aangifte overgelegde taxatierapport niet kan dienen omdat er diverse formele en materiële gebreken daaraan kleven.
4.8.
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat zowel door de taxateur van belanghebbende als door DRZ schade is geconstateerd (zie 4.10 en 4.11). Bovendien heeft de inspecteur, bij het vaststellen van de naheffingsaanslag rekening gehouden met meer dan normale gebruiksschade. Gelet hierop kan belanghebbende de taxatiemethode toepassen (zie 4.6). Hetgeen de inspecteur verder heeft aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel. Wel kunnen gebreken in het taxatierapport gevolgen hebben voor de bewijskracht die aan het taxatierapport toekomt.
Waardevermindering wegens schade
4.9.
Belanghebbende gaat uit van de taxatiemethode. Hij sluit voor de hoogte van de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat aan bij waarden genoemd in de uitspraak op bezwaar en stelt dat alleen nog een hogere waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen moet worden. Verder heeft belanghebbende ter zitting toegelicht dat de bij het beroepschrift gevoegde factuur van € 2.213 een aanvullende schade betreft die ten tijde van de aankoop van de auto reeds bestond, maar waarvan pas later is vastgesteld dat het een ernstige motorschade betreft.
4.10.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 33.608 en 95% hiervan, zijnde € 31.922, in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. De hertaxateur van DRZ heeft schade aan de auto geconstateerd van € 4.785 en 72% hiervan in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde.
4.11.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade dan hetgeen in aanmerking is genomen bij de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de aanvullende factuur een schade betreft die ten tijde van het doen van aangifte reeds bestond. De rechtbank acht hiervoor mede van belang dat noch de taxateur van belanghebbende noch de taxateur van DRZ deze schade hebben geconstateerd. Bovendien kunnen gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, en evenmin op verzoek van de inspecteur alsnog zijn toegevoegd, door degene die gehouden is de belasting op aangifte te voldoen, niet op een later tijdstip worden gebruikt om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen. [5] Gelet hierop is er geen aanleiding om de kosten van de factuur als (aanvullende) schade in aanmerking te nemen. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Al hetgeen de inspecteur verder heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer.
Hoogte naheffingsaanslag
4.12.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de naheffingsaanslag, zoals deze luidt na de uitspraak op bezwaar, terecht en tot een juist bedrag opgelegd.
Belastingrente
4.13.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrentebeschikking. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.
Kostenvergoeding voor de bezwaarfase
4.14.
Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024 en gesteld dat de kostenvergoeding te laag is vastgesteld. [6]
4.15.
Zoals de Hoge Raad in het voornoemd arrest heeft geoordeeld, dient punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht buiten toepassing blijven. Belanghebbendes klacht op dit punt is gegrond. De rechtbank zal daarom een vergoeding voor de kosten voor de bezwaarfase vaststellen naar het hoge tarief.
Immateriële schadevergoeding
4.16.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.17.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 14 september 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 12 maart 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 18 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.18.
Omdat de bezwaarfase afgerond 14 maanden heeft geduurd en daarmee 8 maanden te lang, komt 8/18 deel, derhalve € 667 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 833 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de toekenning van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
5.2.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666 met een wegingsfactor 1, in totaal derhalve € 1.332, wat verrekend mag worden met hetgeen in de bezwaarfase reeds vergoed is. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934 met een wegingsfactor 0,5, omdat belanghebbende op een ondergeschikt punt in het gelijk wordt gesteld. [7] De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen zodat de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase € 934 (2 maal € 934 maal 0,5) bedraagt. De totale vergoeding bedraagt daarom € 2.266 (€ 1.332 + € 934).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding voor de bezwaarfase;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 667;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 833;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.266 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 12 maart 2026.
griffier
rechter
Deze uitspraak is enkel door de griffier ondertekend aangezien de rechter is verhinderd om te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.1 punt voor het indienen van het bezwaar, 1 punt voor het hoorgesprek met een waarde van € 296 per punt.
2.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
3.Artikel 10, lid 8, van de Wet Bpm.
4.Vgl. ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.4 en ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.3.
5.Hoge Raad 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310, r.o. 3.2.3.
7.Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1659.