Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1743

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
BRE 24/8497
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet op de accijnsArt. 2 Wet op de accijnsArt. 2c Wet op de accijnsArt. 26 Wet op de accijnsArt. 51 Wet op de accijns
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag accijns en vernietiging verzuimboete wegens schending verdedigingsbeginsel

De inspecteur legde aan belanghebbende een naheffingsaanslag accijns op omdat in zeven tanks olie werd aangetroffen die volgens de inspecteur niet overeenkwam met de gasolie die aanwezig had moeten zijn. Monsters uit de tanks werden geanalyseerd met de ISO 3405 methode, waarbij voor twee tanks de gemeten overdistillatiepercentages circa 2% onder de grenswaarde van 85% lagen. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat het product in deze twee tanks een ander type olie was, mede vanwege de meetonzekerheid van circa 2%.

Daarnaast werd zonder vooraankondiging een verzuimboete opgelegd, wat de rechtbank als een schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel beoordeelde. Omdat de naheffingsaanslag gedeeltelijk ten onrechte was opgelegd, was het verzuim niet in de mate aanwezig zoals gesteld, waardoor de boete werd vernietigd. Belanghebbende kreeg een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en proceskostenvergoeding toegewezen.

De rechtbank bevestigde dat de inspecteur bevoegd was om monsters te nemen en dat gasolie een homogeen product is, waardoor één monster per tank representatief is. Voor de overige vijf tanks werd de naheffingsaanslag gehandhaafd omdat de gemeten waarden ruim onder de grenswaarde lagen. De rechtbank stelde vast dat sprake was van onttrekking aan de accijnsschorsingsregeling voor deze tanks. De naheffingsaanslag werd verminderd tot een bedrag berekend naar de volumes in de tanks met nummers 1, 2, 4, 6 en 7.

De uitspraak bevatte tevens een uitgebreide motivering over het toepasselijke wettelijke kader, de meetmethoden, de bewijslast en het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel. De rechtbank wees op het belang van tijdige vooraankondiging van bezwarende besluiten en de mogelijkheid tot het indienen van een contra-expertise door belanghebbende.

Tot slot werd belanghebbende in het gelijk gesteld, werd de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd, de boetebeschikking vernietigd en werd de inspecteur veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De naheffingsaanslag werd verminderd voor twee tanks en de verzuimboete vernietigd wegens schending van het verdedigingsbeginsel.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/8497

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] NV, gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. ing. B.J.B. Boersma),
en

de inspecteur van de Douane, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 december 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende op één aanslagbiljet een naheffingsaanslag accijns van € 1.083.397 en een naheffingsaanslag voorraadheffing van € 17.209 opgelegd.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslagen heeft de inspecteur € 42 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en een verzuimboete van € 5.514 opgelegd (de boetebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens belanghebbende deelgenomen: [bestuurder] , de gemachtigde van belanghebbende en zijn kantoorgenoot mr. ing. D.J.M. Beurskens-Weijers. Namens de inspecteur hebben [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag accijns terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Ook beoordeelt de rechtbank of de verzuimboete terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag opgelegd. De verzuimboete is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel opgelegd en moet worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Op 13 februari 2020 heeft de inspecteur een controle uitgevoerd op tanklichter [tanklichter] in het kader van de accijnswetgeving.
3.1.
Volgens de aanwezige bescheiden bestond de lading van de tanks uit DMA gasolie (GN: [nummer 1] ).
3.2.
De [tanklichter] heeft in totaal acht voorraadtanks. Uit tanks 1 tot en met 7 zijn monsters genomen. De monsters zijn door het Douanelaboratorium geanalyseerd ter bepaling van de indeling van de goederen in de Gecombineerde Nomenclatuur (GN). In eerste instantie is hierbij de analysemethode SIMDISASTM gebruikt. De uitslagen van het monsteronderzoek wezen uit dat het volgens het Douanelaboratorium in alle gevallen ging om stookolie met als GN code [nummer 2] .
3.3.
Het Douanelaboratorium heeft een tweede onderzoek uitgevoerd op de monsters. Het tweede onderzoek is gedaan volgens de methode ISO 3405. De uitslagen zijn door het Douanelaboratorium opgemaakt met dagtekening 4 april 2020.
3.4.
De resultaten van het onderzoek volgens de methode ISO 3405 waren als volgt:
Tank
Lab nr.
sg
GN
Kleur
SY
Zwavel
percentage bij 350 graden
1.
[Lab nr. 1]
0,8736
[nummer 2]
Rood
7,2
950
77,90
2.
[Lab nr. 2]
0,8762
[nummer 2]
Rood
8,2
920
70,80
3.
[Lab nr. 3]
0,8772
[nummer 2]
Donkerrood
7,2
0,1 massa%
82,80
4.
[Lab nr. 4]
0,8762
[nummer 2]
Rood
8,2
920
70,90
5.
[Lab nr. 4]
0,8769
[nummer 2]
Donkerrood
7,3
0,1 massa%
81,90
6.
[Lab nr. 5]
0,8762
[nummer 2]
Rood
8,1
890
70,50
7.
[Lab nr. 6]
0,8735
[nummer 2]
Donkerrood
7,3
940
77,00
Het in de laatste kolom bedoelde percentage is het percentage van de olie dat overdistilleert bij 350°C.
3.5.
De inspecteur heeft op 11 oktober 2020 schriftelijk aan belanghebbende medegedeeld dat geen sprake is van een sluitende administratie en dat een voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag zou worden opgemaakt. Hierbij zijn tevens de uitslagen van het onderzoek volgens de methode ISO 3405 gevoegd.
3.6.
Op 20 oktober 2020 heeft de inspecteur het voornemen tot het opleggen van de naheffingsaanslag verstuurd. In het voornemen tot het opleggen van de naheffingsaanslag is geen melding gemaakt van het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete.
3.7.
In de brief van het Douanelaboratorium van 16 november 2020 wordt vermeld:
“De meetonzekerheid voor het distillatie traject is voor beide methodes (Simdist en ISO 3405) ca. 2 % en is voor gasolie berekend bij het 350 °C punt. Dit betekent dat in 95% van de gevallen het bij 350 °C gemeten distillatiepercentage een waarde heeft van + of - 2 procent van de bevonden waarde.”
En:
“Gasoliën en Marine Diesel Oils (lichte stookoliën) zijn distillaten. Distillaten zijn vloeibaar en bevatten geen vaste bestanddelen. De zware bestanddelen (wasachtige componenten) kunnen eventueel uitvlokken, maar deze bezinken nauwelijks en hebben geen significante invloed op het distillatietraject.
In het verleden is door de Douane regelmatig bemonsterd bij terminals. Volle tanks worden vaak op 3 niveaus bemonsterd. Er is nooit enig verschil aangetoond is tussen het distillatietraject van het bodemmonster en topmonster.”
3.8.
Op 20 mei 2021 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd voor de volgende bedragen:
Accijns van minerale oliën: € 1.083.397
Voorraadheffing: € 17.209
Bestuurlijke boete: € 5.514
Belastingrente: € 42
Totaal: € 1.106.162
3.9.
Met betrekking tot de homogeniteit van minerale olie wordt in de brief van het Douanelaboratorium van 20 augustus 2021 het volgende vermeld:
“Een gedistilleerde minerale olie is een homogeen product, dit zijn o.a. gasolie en MDO. Gasolie en MDO zijn vervaardigd door distillatie en bevatten geen vaste delen die kunnen bezinken. De stelling dat minerale olie niet bij voorbaat homogeen is geld alleen voor zware (zwarte) dikke stookolie. In onderhavige geval wordt er enkel over gasolie en MDO gesproken wat heldere distillaten zijn en geen bezinksel bevatten.”

Motivering

Wettelijk kader
4. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet op de accijns (WA) wordt onder de naam accijns een belasting geheven van minerale oliën. Op grond van het tweede lid wordt de accijns verschuldigd ter zake van de uitslag tot verbruik van de in het eerste lid bedoelde goederen.
4.1.
Onder uitslag tot verbruik wordt op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de WA verstaan het aan een accijnsschorsingsregeling onttrekken, daaronder begrepen het onregelmatig onttrekken, van accijnsgoederen.
4.2.
Artikel 2c, tweede lid, van de WA bepaalt dat, indien in Nederland wordt geconstateerd dat zich tijdens een overbrenging van accijnsgoederen als bedoeld in het eerste lid een onregelmatigheid heeft voorgedaan die resulteerde in uitslag tot verbruik van deze goederen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, en niet kan worden vastgesteld waar de onregelmatigheid plaatsvond, deze wordt geacht te hebben plaatsgevonden in Nederland op het tijdstip waarop de onregelmatigheid werd geconstateerd.
4.3.
Artikel 26 van Pro de WA luidt, voor zover hier van belang:
“1 Voor de toepassing van het tarief worden minerale oliën onderscheiden in lichte olie, halfzware olie, gasolie, zware stookolie, vloeibaar gemaakt petroleumgas en methaan.
(…)
4 Onder gasolie worden verstaan de producten van GN-codes 2710 19 43 tot en met 2710 19 48 en 2710 20 11 tot en met 2710 20 19.
5 Onder zware stookolie worden verstaan de producten van GN-codes 2710 19 62 tot en met 2710 19 68 en 2710 20 31 tot en met 2710 20 39.”
4.4.
De in artikel 26 van Pro de WA genoemde GN-codes zijn vermeld in de Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1821 van de Commissie van 6 oktober 2016 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (de Gecombineerde Nomenclatuur, zoals van toepassing vanaf 1 januari 2017). In de tweede aanvullende aantekening bij Hoofdstuk 27 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1821 van 6 oktober 2016 is, voor zover van belang, vermeld:
‘Voor de toepassing van post 2710 worden aangemerkt als:
(…)
d) „zware oliën” (onderverdelingen 2710 19 31 tot en met 2710 19 99 en 2710 20 11 tot en met 2710 20 90), de oliën en preparaten die, distillatieverliezen inbegrepen, voor minder dan 65% van hun volume overdistilleren bij 250 °C, een en ander bepaald volgens de methode ISO 3405 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 86) (…);
e) „gasolie” (onderverdelingen 2710 19 31 tot en met 2710 19 48 en 2710 20 11 tot en met 2710 20 19), de onder d) hiervoor bedoelde zware oliën die, distillatieverliezen inbegrepen, voor ten minste 85% van hun volume overdistilleren bij 350 °C, een en ander bepaald volgens de methode ISO 3405 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 86);
f) „stookolie” (onderverdelingen 2710 19 51 tot en met 2710 19 68 en 2710 20 31 tot en met 2710 20 39), de onder d) hiervoor bedoelde zware oliën, andere dan gasolie, bedoeld onder e) hiervoor (…)’
4.5.
Artikel 51, eerste lid, onderdeel a, ten tweede van de WA bepaalt dat de accijns bij toepassing van artikel 2, eerste lid, onderdeel a van de WA wordt geheven van:
“in geval van een onregelmatigheid tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling in de zin van artikel 2c, eerste, tweede en derde lid: de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats, de vergunninghouder van het belastingentrepot, de geregistreerde afzender, de vervoerder of de eigenaar van de accijnsgoederen, bedoeld in artikel 56, derde lid, of enig andere persoon die ingevolge de wettelijke bepalingen van een andere lidstaat zekerheid heeft gesteld en alle personen die bij de onregelmatige onttrekking betrokken zijn geweest terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat het onttrekken op onregelmatige wijze geschiedde”
Monsterneming
4.6.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd omdat verschillende rechten en beginselen zijn geschonden bij de monsterneming en analyse van de monsters. De monsters hadden niet genomen mogen worden door de inspecteur van de Douane. De onderzochte olie is geen homogeen product, waardoor niet vast staat dat de monsters representatief zijn voor de lading per tank. De distillatiepercentages zoals ze door het Douanelaboratorium zijn bevonden, liggen deels zeer dicht bij het omslagpunt van 85% overdistillatie en er is meetonzekerheid.
4.7.
De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast op de inspecteur rust om aannemelijk te maken dat het in de bemonsterde tanks aangetroffen product een andere olie betreft dan de gasolie die volgens de aanwezige bescheiden in de tanks zou zitten.
Monsterneming - bevoegdheid
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur bevoegd was om de monsters te vorderen. Artikel 84, eerste lid, van de WA bepaalt dat de inspecteur of een door hem aangewezen ambtenaar die het onderzoek verricht, kan vorderen dat van goederen één of meer monsters worden verstrekt.
4.9.
Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat de gang van zaken rondom het testen van de monsters in strijd is met het fair play beginsel. De rechtbank verwerpt dit argument onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1261. Belanghebbende is een professionele handelaar in oliën waar al meermaals controles hebben plaatsgevonden. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om eerder actie te ondernemen en de afspraken en processen binnen haar onderneming zodanig in te richten dat zij in de gelegenheid was om een contraexpertise uit te voeren.
Monsterneming - representativiteit
4.10.
De inspecteur betoogt onder verwijzing naar de brief van 20 augustus 2021 van het Douanelaboratorium dat gasolie een homogeen product is en dat de monsters representatief zijn voor de lading die aan boord was. Belanghebbende betwist dit. Gelet op de toelichting van het Douanelaboratorium (zie 3.9) en het gegeven dat belanghebbendes betwisting op dit punt niet gestaafd is met stukken, acht de rechtbank door de inspecteur aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een homogeen product. Naar het oordeel van de rechtbank kon de inspecteur dus volstaan met 1 monster per tank en zijn die monsters representatief voor de inhoud van de tank waar de monsters respectievelijk uit komen.
Monsterneming - de testresultaten
4.11.
Uit de resultaten van de analyse van de monsters volgens de ISO 3405 methode (zie 3.4) volgt dat voor de tanks met nummers 3 en 5 het gemeten percentage van de olie dat overdistilleert bij 350°C, 82,80%, respectievelijk 81,90%, bedraagt. Volgens de stukken van het Douanelaboratorium is bij de ISO 3405 methode sprake van een meetonzekerheid van circa 2% (zie 3.7). Naar de rechtbank begrijpt kan de meetonzekerheid slechts bij benadering worden vastgesteld. Ook desgevraagd ter zitting heeft de inspecteur geen dragende uitleg gegeven over de vraag hoe een onzekerheid van circa 2% beschouwd moet worden bij resultaten die circa 2% onder de grenswaarde vallen. Gelet op deze door het douanelaboratorium geuite meetonzekerheid en de omstandigheid dat de gemeten percentages van tanks 3 en 5 dusdanig dichtbij het vereiste percentage van 85% liggen, acht de rechtbank het niet aannemelijk gemaakt dat het in deze tanks aanwezige product een ander product was dan hetgeen volgens de bescheiden in deze tanks aanwezig was. Naar het oordeel van de rechtbank is met betrekking tot de olie in tanks 3 en 5 geen sprake van het onttrekken van de gasolie aan een accijnsschorsingsregeling [1] , zodat de naheffingsaanslag voor zover deze ziet op de inhoud van tanks 3 en 5 ten onrechte is opgelegd.
4.12.
De bij de tanks met nummers 1, 2, 4, 6 en 7 gemeten percentages liggen ruim onder de grenswaarde van 85%. Die waarden zijn dermate laag, dat de meetonzekerheid geen relevante invloed op de conclusie kan hebben. Voor deze tanks acht de rechtbank door de inspecteur aannemelijk gemaakt dat het in de tanks aanwezige product een ander product betrof dan de volgens de bescheiden aanwezige gasolie.
Onttrekking aan een accijnsschorsingsregeling
4.13.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een onttrekking, omdat geen sprake was van handelen of nalaten waardoor de toegang van de inspecteur tot de olie is belemmerd of de inspecteur is belet om controles uit te voeren. Daarnaast stelt belanghebbende onder verwijzing naar het arrest [naam] [2] dat een onjuiste GN-code niet automatisch leidt tot een onttrekking. Ook betoogt belanghebbende dat de administratie sluitend was.
4.14.
De rechtbank overweegt als volgt. Anders dan in het arrest [naam] is in het onderhavige geval in geschil of de aangetroffen oliën dezelfde oliën betreffen als de op de bijbehorende documenten vermelde oliën. Indien de oliën die worden aangetroffen in een schip andere oliën blijken te zijn dan die op de bijbehorende documenten staan vermeld, dan moet in beginsel worden aangenomen dat de op de documenten vermelde oliën wel zijn ingeladen, maar op het controlemoment niet langer aanwezig zijn op het schip, zonder dat is geregistreerd waar de oliën naar zijn overgebracht en aan wie ze zijn geleverd. Naar het oordeel van de rechtbank is in dat geval sprake van (onregelmatige) onttrekking van accijnsgoederen (in onderhavige zaak: minerale olie) aan een accijnsschorsingsregeling en dus van uitslag tot verbruik in de zin van de in onderdelen 4 en 4.1 genoemde artikelen. Dit zou slechts anders kunnen zijn, indien belanghebbende met een sluitende administratie aannemelijk maakt dat de bij het vervoer behorende documenten betrekking hebben op dezelfde oliën als die in het schip zijn aangetroffen, maar dat enkel achteraf moet worden geconstateerd dat (abusievelijk) de onjuiste benaming van de minerale oliën op de documenten staat vermeld.
4.15.
Belanghebbende heeft aangegeven een reconstructie van de bunkeringen van de betrokken tanklichters te maken en de resultaten hiervan over te leggen. Belanghebbende heeft deze resultaten echter niet aangeleverd. De informatie ten aanzien van de goederenstroom die wel is aangeleverd is onvoldoende om aannemelijk te maken dat de aangetroffen olie dezelfde olie betrof als vermeld op de bijbehorende bescheiden. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de olie in tanks 1, 2, 4 , 6 en 7 sprake is van een onttrekking aan de accijnsschorsingsregeling en daarmee van uitslag tot verbruik.
Teruggaaf
4.16.
Voor dat geval stelt belanghebbende recht te hebben op een teruggaaf. De rechtbank overweegt dat op basis van artikel 70, eerste lid aanhef en onderdeel b van de WA een teruggaaf enkel op verzoek wordt verleend. Uit de uitspraak op bezwaar volgt dat de inspecteur de nadere gronden bij het bezwaar tevens ter behandeling als een mogelijk verzoek om teruggaaf heeft doorgezonden naar de Centrale Unit Accijns van de Douane Groningen. Tegen de beslissing op het teruggaafverzoek dient apart bezwaar te worden gemaakt en die (mogelijke) beslissing ligt in deze procedure niet voor.
Belastingrente
4.17.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, dient de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig te worden verminderd.
Verzuimboete
4.18.
Belanghebbende voert aan dat de verzuimboete een bezwarend besluit is en vooraangekondigd had moeten worden. Nu dit niet is gebeurd, is sprake van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel en dient de verzuimboete te worden vernietigd.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat een vooraankondiging van de verzuimboete niet vereist is en de boete dus in stand moet blijven.
4.19.
De rechtbank stelt voorop dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel van toepassing is wanneer de inspecteur voornemens is een bezwarend besluit te nemen dat de belangen van degene tot wie dat besluit zich richt, aanmerkelijk raakt [3] en dat binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt. [4] Het beginsel houdt in dat de inspecteur degene tot wie dat besluit is gericht, tijdig en expliciet de gelegenheid moet bieden zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken voordat dat besluit wordt genomen. De rechtbank overweegt dat de verzuimboete is opgelegd wegens het niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van de belasting die op grond van de Wet op de accijns had moeten worden voldaan. Het opleggen van de verzuimboete daarvoor, valt binnen de werkingssfeer van het Unierecht. Nu de verzuimboete is opgelegd zonder vooraankondiging – waar de naheffingsaanslag wel is aangekondigd - is belanghebbende niet in de gelegenheid gesteld om haar standpunt naar behoren kenbaar te maken voordat de verzuimboete werd opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel.
4.20.
Een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel leidt tot vernietiging van het bezwarende besluit als het besluitvormingsproces van de inspecteur zonder die schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad. Voor dit oordeel is het voldoende te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden, degene tot wie dat besluit is gericht een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van dat besluit van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. [5]
Gelet op het oordeel van de rechtbank hiervoor dat de naheffingsaanslag gedeeltelijk ten onrechte is opgelegd en dus het verzuim niet in de mate heeft plaatsgevonden zoals gesteld door de inspecteur en ten grondslag liggend aan de boete, is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan het ‘andere afloop’-criterium. [6] De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat niet inzichtelijk is hoe de naheffingsaanslag is opgebouwd (zie overweging 5 hierna). Het is niet uitgesloten dat een andersluidende beslissing met betrekking tot de naheffingsaanslag ook gevolgen zou hebben gehad voor de in verband met die naheffingsaanslag opgelegde verzuimboete.
Immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
4.21.
Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de geschillen beslecht hadden moeten zijn. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. [7] Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade. Voor de schadevergoeding geldt als uitgangspunt dat een tarief wordt gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden.
4.22.
De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift op 30 juni 2021 door de inspecteur is ontvangen. De inspecteur heeft op 18 december 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 13 maart 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 33 maanden overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 3.000. Deze vergoeding komt volledig voor rekening van de inspecteur.
4.23.
Deze procedure betreft zowel een belastingaanslag als een daarmee samenhangende boete. Dan worden de hiervoor opgenomen schadevergoeding, en de boetevermindering of schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn met betrekking tot de boete, zo nodig naast elkaar toegepast. [8]
4.24.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende eerst bij het opleggen van de naheffingsaanslag op 20 mei 2021 bekend werd met het feit dat er ook een boeteverwijt werd gemaakt. Dat is daarom het startpunt van de redelijke termijn voor wat betreft de boetekwestie. De rechtbank constateert dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de boetezaak in eerste feitelijke instantie. De rechtbank doet uitspraak op 13 maart 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 34 maanden overschreden. Nu de rechtbank de boete integraal vernietigd, kan compensatie voor deze schending niet gevonden worden in een vermindering van de boete. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 3.000. Deze vergoeding komt volledig voor rekening van de inspecteur.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. De naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot een berekend naar de volumes aangetroffen in de tanks 1, 2, 4, 6 en 7. De rechtbank heeft uit het dossier geen cijfermatige onderbouwing van de exacte opbouw kunnen opmaken en stelt dus de beslissing noodzakelijkerwijs op deze wijze vast.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
5.2.
Belanghebbende heeft verzocht om integrale proceskostenvergoeding. De rechtbank ziet geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot toekenning van een integrale proceskostenvergoeding. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. Belanghebbende heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een aanslag berekend naar de volumes olie aangetroffen in de tanks met nummers 1, 2, 4, 6 en 7 en vermindert belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
- vernietigt de boetebeschikking;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 6.000;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 371 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, voorzitter, en mr. S.A.J. Bastiaansen en prof. dr. G. van Norden, leden, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
voorzitter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de WA.
2.Hof van Justitie van de Europese Unie 8 september 2016, C-409/14, ECLI:EU:C:2016:643.
3.Hoge Raad 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1053.
4.Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1917.
5.Hoge Raad 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1053.
6.Vgl. Hoge Raad 25 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:442 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3479.
7.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
8.Hoge Raad, 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.2.1.