ECLI:NL:RBZWB:2026:10

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
24/5946
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm)

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 16 juli 2024. De inspecteur had aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 7.862, met een belastingrentebeschikking van € 121. Na bezwaar werd de naheffingsaanslag verlaagd naar € 4.954 en de belastingrentebeschikking naar € 76, met een kostenvergoeding van € 1.248 voor de bezwaarfase. De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 behandeld, waarbij belanghebbende werd vertegenwoordigd door mr. M.U. Sahin en de inspecteur door mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2]. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking terecht zijn opgelegd. Belanghebbende had aangifte gedaan voor de registratie van een Audi RS6 TFSI quattro en een Bpm van € 20.768 voldaan. De inspecteur had een hertaxatie laten uitvoeren, wat leidde tot de naheffingsaanslag. De rechtbank concludeert dat de herleidingsmethode niet kan worden toegepast en dat de inspecteur de juiste bedragen heeft vastgesteld. Belanghebbende heeft recht op een immateriële schadevergoeding van € 500 vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, maar kent wel een schadevergoeding en proceskostenvergoeding toe aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5946

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende
tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 16 juli 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 7.862 aan verschuldigde Bpm. Gelijktijdig met het opleggen van de naheffingsaanslag is € 121 aan belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag verminderd naar € 4.954. De belastingrentebeschikking is verminderd naar € 76. Aan belanghebbende is een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 1.248.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag en de
belastingrentebeschikking terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking zijn terecht en naar de juiste bedragen opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 16 augustus 2022 aangifte gedaan ter zake van de
registratie van een Audi RS6 TFSI quattro met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 20.768.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 28.630 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.
3.3.
In de bezwaarfase heeft de inspecteur de verschuldigde Bpm verlaagd naar € 25.722, omdat belanghebbende mocht uitgaan van het tarief per 31 december 2020.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden
toegepast. Verder is in geschil de hoogte van de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat. Ook is in geschil of terecht belastingrente in rekening is gebracht.
4.1.
Belanghebbende heeft zijn stelling dat een te laag bedrag aan kostenvergoeding voor de bezwaarfase is toegekend ter zitting ingetrokken.
Herleidingsmethode
4.2.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Historische nieuwprijs
4.3.
De rechtbank leidt uit de stukken af dat beide partijen uitgaan van een netto catalogusprijs van € 132.559. Partijen hebben ter zitting desgevraagd verklaard dat voor het bepalen van de historische nieuwprijs uitgegaan van het Bpm-tarief zoals dit gold op het moment van de datum eerste tenaamstelling van de auto van 19 januari 2021. Dit geldt ook als voor het bepalen van de verschuldigde Bpm mag worden uitgegaan van het voorgaande (lagere) tarief van 2020. De rechtbank acht dat juist en gaat voor het bepalen van de historische nieuwprijs daarom uit van een historische bruto Bpm van € 59.822.
4.4.
De rechtbank stelt de historische nieuwprijs daarom vast op € 220.218 zoals door belanghebbende bepleit en verwijst hiervoor naar hetgeen de Hoge Raad heeft bepaald in zijn arrest van 22 december 2023. [2]
Handelsinkoopwaarde in beschadigde staat
4.5.
Beide partijen gaan uit van de taxatiemethode. In dat geval is de koerslijstwaarde slechts een uitgangspunt. De getaxeerde waarde zal dan van de koerslijstwaarde verschillen vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van de auto ten opzichte van de gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht. [3]
4.6.
Beide partijen zijn eerder uitgegaan van een koerslijst van Eurotax die bij het rapport van DRZ is gevoegd. Uit deze koerslijst volgt een handelsinkoopwaarde van € 104.988. De inspecteur heeft aangevoerd dat de handelsinkoopwaarde op een hoger bedrag moet worden vastgesteld dan uit de koerslijst volgt en heeft daarbij gewezen op de aankoopprijs van de auto. Belanghebbende heeft gesteld dat de waarde uit deze koerslijst wel kan worden gevolgd maar dat een waardevermindering wegens schade op de handelsinkoopwaarde in mindering moet worden gebracht, plus de overige waardevermindering zoals vermeld in zijn taxatierapport.
4.7.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 11.585 en deze voor 85% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Daarnaast heeft hij nog een bedrag van € 10.220 in mindering gebracht wegens een schadeverleden. De hertaxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto destijds anderhalf jaar oud was en 49.481 kilometer had gereden. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Voor de overige waardevermindering heeft belanghebbende geen onderbouwing gegeven en dus ook niet aannemelijk gemaakt. Al hetgeen de inspecteur met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer.
4.9.
De rechtbank acht belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, ook niet in het bewijs geslaagd dat de koerslijstwaarde in dit geval de waarde van de auto weergeeft. Belanghebbende heeft volgens de inkoopfactuur € 100.840 betaald (exclusief btw en Bpm) terwijl de koerslijst een handelsinkoopwaarde weergeeft van € 104.988. Hoewel de inkoopfactuur niet als uitgangspunt kan worden genomen om de handelsinkoopwaarde te bepalen, kan het wel een indicatie geven dat in dit geval sprake is van een betere staat van de auto of van bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen ten opzichte van de referentievoertuigen waardoor de auto meer waard is. Niet aannemelijk is dat de handelsinkoopwaarde moet worden vastgesteld op de koerslijstwaarde of een zodanig (beperkt) hoger bedrag dat dit tot een verlaging van de verschuldigde Bpm leidt. De naheffingsaanslag is daarom niet tot een hoog bedrag opgelegd.
4.10.
Voor het geval de taxatiemethode niet kan worden toegepast omdat de rechtbank van oordeel is dat geen waardevermindering wegens schade in aanmerking kan worden genomen, en de auto wel zou voorkomen in een koerslijst, stelt de rechtbank vast dat door belanghebbende geen beroep is gedaan op een andere afschrijvingsmethode. In dat geval moet de afschrijving worden bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. Dit leidt eveneens niet tot een verlaging van de naheffingsaanslag.
Belastingrente
4.11.
Op grond van artikel 30h, lid 1, van de AWR wordt belastingrente in rekening gebracht als de naheffingsaanslag wordt vastgesteld na het einde van het kalenderjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft. Tot 1 januari 2022 was het belastbare feit voor de Bpm het moment van registratie (inschrijving plus tenaamstelling) van de auto. Vanaf 1 januari 2022 is het belastbare feit het moment van inschrijving. [4] De tenaamstelling is vanaf dat moment dus niet meer relevant. Aangezien de goedkeuring en inschrijving bij de RDW op 17 augustus 2022 heeft plaatsgevonden, is de belastingrente terecht vanaf 1 januari 2023 in rekening gebracht. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.
Immateriële schadevergoeding
4.12.
Belanghebbende heeft op 13 november 2025 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.13.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 27 oktober 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 6 januari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond drie maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 500.
4.14.
Omdat de bezwaarfase afgerond negen maanden heeft geduurd en daarmee drie maanden te lang komt het volledige bedrag voor rekening van de inspecteur.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële
schadevergoeding van € 500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [5] , wat neerkomt op € 233,50. De inspecteur moet die kosten vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed, omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding niet is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [6] .

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
4.Dit staat in artikel 1, tweede lid, van de Wet op de Bpm 1992.
5.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
6.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.