ECLI:NL:RBZWB:2025:9240

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
23/11132
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag BPM en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 23 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst behandeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 3.142, welke door belanghebbende werd betwist. De rechtbank heeft het beroep op zitting behandeld op 30 september 2025, waarbij de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur aanwezig waren.

De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en of de herleidingsmethode kan worden toegepast. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, maar tot een te hoog bedrag. De rechtbank stelt vast dat de historische nieuwprijs van de auto € 108.779 bedraagt, en dat de verschuldigde BPM € 6.047 is. Aangezien belanghebbende al € 3.273 heeft voldaan, moet de naheffingsaanslag worden verminderd tot € 2.774.

Daarnaast heeft belanghebbende een verzoek ingediend voor een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelt dat de redelijke termijn met ongeveer twee jaar en zes maanden is overschreden, en kent een schadevergoeding van € 2.500 toe, waarvan € 1.833,33 voor rekening van de inspecteur en € 666,67 voor rekening van de Staat komt. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar, en legt de proceskostenvergoeding vast op € 3.108.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11132

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

en

de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 3.142.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen, namens de gemachtigde van belanghebbende, mr. M.U. Sahin, en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast, de hoogte van de historische nieuwprijs en of sprake is van een waardevermindering wegens schade.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht opgelegd, maar wel tot een te hoog bedrag. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 19 januari 2021 aangifte gedaan voor de registratie van een Land Rover, VIN eindigend op [nummer] , (de auto) en een bedrag van € 3.273 aan Bpm voldaan.
4.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport van 28 januari 2021 gevoegd. Daarin is een historische nieuwprijs vermeld van € 99.960. De taxateur heeft een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vermeld van € 20.895, gebaseerd op een koerslijst van Autotelexpro, en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 11.177.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een rapport van 28 januari 2021. Daarin is een historische nieuwprijs vermeld van € 102.540 en een handelsinkoopwaarde van € 22.469, gebaseerd op een koerslijst van XRay. De hertaxateur heeft geen schade geconstateerd die tot een waardevermindering van de auto zou moeten leiden.
4.3.
De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ bij het opleggen van de naheffingsaanslag het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 6.415.

Overwegingen

Herleidingsmethode
4.4.
Bij zijn arrest van 11 juli 2025 [1] heeft de Hoge Raad beslist dat de herleidingsmethode niet aansluit bij de wettelijk toegestane methoden tot het berekenen van de afschrijving van artikel 10 van de Wet Bpm. De Hoge Raad sloot zich daarbij aan bij de conclusie van de Advocaat-Generaal van 12 december 2023 [2] die alle gronden voor toepassing van de herleidingsmethode afwees. Deze beroepsgrond van belanghebbende faalt.
Historische nieuwprijs
4.5.
Belanghebbende heeft gesteld dat de afschrijving moet worden berekend aan de hand van de historische nieuwprijs van € 108.779 gebaseerd op CO2-uitstoot van de auto zelf van 194 gr/km en niet aan de hand van een nieuwprijs van € 102.540 op basis van een CO2-uitstoot van 182 gr/km, zoals de inspecteur heeft gedaan.
4.6.
Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [3] bepaalt de Wet Bpm op dit punt dat het afschrijvingspercentage moet worden bepaald door de verhouding tussen de handelsinkoopwaarde respectievelijk de taxatiewaarde van het te registreren motorrijtuig en de som van de catalogusprijs van het te registreren voertuig en het bedrag aan Bpm dat voor het te registreren motorrijtuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop het voor het eerst in gebruik werd genomen. Het gelijk op dit punt is daarom aan belanghebbende.
4.7.
Voor de netto cataloguswaarde gaat de rechtbank uit van de waarde van € 65.703 die belanghebbende bepleit, aangezien dit bedrag ook de waarde is die door DRZ is gehanteerd en ook de naheffingsaanslag op deze waarde is gebaseerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Schade
4.8.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat geen rekening is gehouden met de schade.
4.9.
Omdat sprake is van een waardeverminderende omstandigheid rust de bewijslast voor de in aanmerking te nemen schade op belanghebbende. Belanghebbende moet de omvang van de schade, en de invloed daarvan op de handelsinkoopwaarde, aannemelijk maken. De rechtbank merkt op dat zij géén expert is in de waardering van auto’s. De rechtbank is daarom in hoge mate afhankelijk van wat partijen aandragen, indien een geschil bestaat over de vraag of en zo ja in hoeverre er sprake is van schade.
4.10.
De rechtbank stelt voorop dat normale gebruiksschade niet in mindering gebracht kan worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Onder normale gebruiksschade moet worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van de auto en die passen bij de leeftijd en kilometrage van de auto. [4] Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
4.11.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank weegt daarbij mee dat de auto uit 2015 is en 104.662 kilometer heeft gereden. De door belanghebbende overgelegde factuur van € 786,50 maakt dat oordeel niet anders. De factuur vermeldt enkel spuitwerk dat bovendien ruim – leverdatum mei 2021 - na de aangifte is verricht.
4.12.
Verder heeft belanghebbende de stelling dat sprake zou zijn van een binnen de branche ontwikkeld beleid voor wat betreft het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade in het kader van de Bpm niet aannemelijk gemaakt, noch dat dergelijk beleid zou nopen tot het toepassen van een waardevermindering. Dit betekent dat belanghebbende de door haar bepleite vermindering niet aannemelijk heeft gemaakt en dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast.
Handelsinkoopwaarde
4.13.
Belanghebbende heeft subsidiair een beroep gedaan op de koerslijstmethode en gesteld dat de handelsinkoopwaarde moet worden vastgesteld op € 22.469, zoals ook door DRZ is vastgesteld. Pas in beroep heeft de inspecteur twijfel geuit aan de geschiktheid van de koerslijst XRay, naar aanleiding van de verhoging van de historische nieuwprijs. De inspecteur is er, mede in het licht van hetgeen DRZ tot uitgangspunt heeft genomen, niet in geslaagd aannemelijk te maken dat deze koerslijst toch niet mag worden gebruikt. Belanghebbende mag gelet op het eigen beleid van de Belastingdienst [5] erop vertrouwen dat de inspecteur niet stelt dat de koerslijst niet is gebaseerd op handelstransacties. Verder komt de koerslijst overeen met het voertuig uit de aangifte en is van verdergaande afwijkingen dan in relatief en absolute zin geringe afwijkingen in CO2-uitstoot geen sprake. Het verschil in CO2-uitstoot betreft namelijk een in relatieve zin geringe afwijking in CO2-uitstoot tussen de auto en de referentieauto. Voor zover de inspecteur vindt dat de inkoopfactuur een contra-indicatie zou kunnen opleveren van de door belanghebbende bepleite waarde, ziet de rechtbank daarin geen aanleiding om de inkoopfactuur op te vragen. Ook als belanghebbende een hogere prijs heeft betaald voor de auto, dan nog staat het belanghebbende in dit geval vrij om uit te gaan van een taxatiewaarde aan de hand van de koerslijstwaarde. Nu belanghebbende heeft gesteld dat de koerslijst XRay kan worden gevolgd omdat deze het meest gunstige is, accepteert de rechtbank de koerslijst XRay als basis voor de handelsinkoopwaarde.
Hoogte van de naheffingsaanslag
4.14.
Voorgaande leidt tot de conclusie dat de historische nieuwprijs moet worden vastgesteld op € 108.779, zijnde de catalogusprijs van € 65.703 te vermeerderen met 21% btw (€ 13.797) en de historische Bpm (€ 29.279) en de handelsinkoopwaarde op € 22.469. De verschuldigde Bpm bedraagt dan € 6.047. Belanghebbende heeft op aangifte reeds een bedrag van € 3.273 voldaan zodat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 2.774.
Immateriëleschadevergoeding
4.15.
Belanghebbende heeft op 23 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.16.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 9 juli 2021 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 23 december 2025. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond twee jaar en zes maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.500. Omdat de bezwaarfase afgerond twee jaar en vier maanden heeft geduurd komt € 1.833,33 voor rekening van de inspecteur en € 666,67 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
5.2.
De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647. [6] In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De proceskostenvergoeding bedraagt in totaal € 3.108.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 2.774;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.833,33;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 666,67;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.108 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 23 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [7]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

4.Artikel 2, aanhef en onderdeel c, van de Wet Bpm.
5.Dit beleid volgt uit een door belanghebbende overgelegde e-mail van de Belastingdienst van 6 december 2024.
6.Vgl. Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
7.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.