ECLI:NL:RBZWB:2025:9240
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering naheffingsaanslag BPM wegens te hoge aanslag en overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM van € 3.142 opgelegd door de inspecteur. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, maar dat het bedrag te hoog is vastgesteld. De herleidingsmethode voor afschrijving wordt afgewezen, conform het arrest van de Hoge Raad.
De rechtbank stelt de historische nieuwprijs vast op € 108.779 en de handelsinkoopwaarde op € 22.469, wat leidt tot een verschuldigde BPM van € 6.047. Na verrekening van reeds betaalde BPM wordt de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.774.
Belanghebbende stelde dat sprake was van waardevermindering door schade, maar heeft dit onvoldoende aannemelijk gemaakt. De rechtbank wijst het beroep op waardevermindering af omdat alleen normale gebruiksschade aanwezig is.
Verder kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe van € 2.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar. De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op € 3.108 en het griffierecht van € 184 wordt vergoed.
De uitspraak vernietigt de uitspraak op bezwaar, vermindert de naheffingsaanslag en veroordeelt de inspecteur en de Staat tot betaling van schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot € 2.774 en belanghebbende ontvangt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.