Deze bestuursrechtelijke uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant betreft het beroep van eiser tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen om zijn bijstandsuitkering te korten met de inkomsten uit zijn eenmanszaak vanaf 1 april 2024.
Eiser voerde aan dat het college ten onrechte de omzet in plaats van de winst als inkomsten heeft aangemerkt en dat de kosten van zijn onderneming in mindering hadden moeten worden gebracht. De rechtbank stelt vast dat eiser als marginaal zelfstandige wordt beschouwd en dat de inkomsten uit zijn onderneming als inkomen in de zin van de Participatiewet gelden.
De rechtbank volgt de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dat bij de vaststelling van het inkomen geen rekening wordt gehouden met verwervingskosten. Het college heeft derhalve terecht de inkomsten uit de onderneming gekort zonder verrekening van kosten. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.