11/3764 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 juni 2011, 10/5730 (aangevallen uitspraak)
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)
Datum uitspraak: 18 september 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. Apistola, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Apistola. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. van der Heiden.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 10 maart 2010 heeft het college aan appellant met ingang van 29 januari 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend. In dit besluit heeft het college aan appellant tevens toestemming verleend om zelfstandige activiteiten te verrichten, waarbij de arbeidsduur niet meer mag bedragen dan twintig uur per week.
1.2. Bij besluit van 13 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 maart 2010 ongegrond verklaard. Hierbij heeft het college te kennen gegeven dat het maximaal aantal te werken uren gemiddeld niet meer dan twintig uren per week mag zijn en dat de urenbegrenzing per week noodzakelijk is om te kunnen beoordelen of er aanleiding is onderzoek te doen naar de vraag of appellant mogelijk tot de doelgroep van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) behoort.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat de verplichting omtrent de maximale arbeidsduur in strijd is met artikel 55 van de WWB. Voorts is hij van mening dat het in dit kader door het college gehanteerde beleid in strijd is met de WWB, waarbij hij verwijst naar de fiscale regelgeving waarin een ruimer urencriterium wordt gehanteerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz 2004 bepaalt dat onder zelfstandige wordt verstaan: de belanghebbende van 18 tot 65 jaar, die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening daarvan, voldoet aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en alleen of samen met degenen met wie hij het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent de volledige zeggenschap in dat bedrijf of zelfstandig beroep heeft en de financiële risico's daarvan draagt.
4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 21 augustus 2007, LJN BB4026, kan een belanghebbende die aan de onder 4.1 vermelde criteria voldoet slechts in de hoedanigheid van zelfstandige en met toepassing van artikel 2 van het Bbz 2004 eventueel aanspraak maken op bijstand. In dat geval is er geen recht op algemene bijstand op grond van de WWB. Aan een persoon die niet voldoet aan de criteria genoemd onder 4.1 kan wel met toepassing van de WWB algemene bijstand worden verleend. Voor hem gelden dan de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB, waaronder het verkrijgen en aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid.
4.3. In het licht van het onder 4.1 vermelde urencriterium heeft het college aan appellant toestemming verleend om met behoud van algemene bijstand activiteiten als zelfstandige te verrichten, met dien verstande dat het maximaal aantal te werken uren als zelfstandige gemiddeld niet meer dan twintig uren per week mag zijn. Hierdoor blijft appellant tot de doelgroep van de WWB behoren en treedt hij niet toe tot de kring van rechthebbenden op grond van het Bbz 2004, waarin op jaarbasis een urencriterium van 1225 uur geldt, wat neerkomt op 23,55 uur per week. De toegestane arbeidsduur van twintig uur per week heeft het college opgenomen in het beleid ten aanzien van marginale zelfstandigen.
4.4. Ingevolge artikel 55 van de WWB - voor zover hier van belang - kan het college naast de wettelijke verplichtingen die aan de bijstand verbonden zijn, andere verplichtingen opleggen die strekken tot arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beëindiging.
4.5. Appellant betoogt dat de bepaling omtrent de toegestane arbeidsduur in dit beleid niet op artikel 55 van de WWB kan worden gebaseerd, gelet op de strekking daarvan. Dit betoog faalt. Appellant wordt verplicht om niet meer dan twintig uur per week als zelfstandige werkzaam te zijn. Aldus wordt voorkomen dat hij ten onrechte bijstand op grond van de WWB ontvangt. De beleidsbepaling houdt daarom verband met de aard en vorm van de verstrekte bijstand en strekt tevens tot de vermindering daarvan. Hij kan daardoor immers gedeeltelijk voorzien in de kosten van zijn levensonderhoud. Vergelijk de uitspraken van de Raad van 21 augustus 2007, LJN BB4026 en 22 april 2008, LJN BD0261. Gelet op het toepassingsbereik van het Bbz 2004 en de WWB is de beleidsbepaling, waarbij het maximaal aantal uren gesteld is op twintig uur per week, niet onredelijk. Daarom faalt ook het betoog dat het in het beleid gestelde urenaantal van twintig in het licht van de fiscale wetgeving te beperkend is.
4.6. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.J. Govaers en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2012.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte