Belanghebbende, een Luxemburgse vennootschap eigenaar van een onroerende zaak in Nederland, maakte bezwaar tegen de aanslagen vennootschapsbelasting (Vpb) voor de jaren 2019 en 2020. De inspecteur had de aanslagen vastgesteld op een belastbaar bedrag van €21.150 voor beide jaren, met daarbij belastingrente. De rechtbank oordeelt dat de aanslagen en belastingrente te hoog zijn vastgesteld.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende de onroerende zaak ter beschikking stelde aan haar UBO zonder vergoeding, waardoor een winstcorrectie op basis van een zakelijke huur van 5% van de WOZ-waarde terecht is. De huurinkomsten worden vastgesteld op €13.750 voor 2019 en €14.000 voor 2020. Kostenvergoedingen worden slechts gedeeltelijk erkend, omdat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde voor hogere kosten of afwaardering van vorderingen.
Verder oordeelt de rechtbank dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar werkelijke leiding in Nederland heeft, waardoor bepaalde kosten niet aftrekbaar zijn. De rechtbank wijst ook een immateriële schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, en stelt de proceskostenvergoeding vast op €3.108. De aanslagen en belastingrente worden dienovereenkomstig verminderd en de inspecteur wordt veroordeeld tot betaling van de kosten en schadevergoeding.