Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2009:BK0909

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/00324
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • A.R. Leemreis
  • J.A.C.A. Overgaauw
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 1 letter e Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 13 lid 1 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 20a lid 1 Wet op de vennootschapsbelasting 1969
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aftrekbaarheid emissiekosten bij vennootschapsbelasting en toepassing artikel 9 lid 1 letter e Vpb

In deze zaak heeft de Inspecteur bij beschikking het verlies van belanghebbende over het jaar 2000 vastgesteld, waarbij de aftrek van emissiekosten ter discussie stond. Belanghebbende had in 2000 een emissie van aandelen verricht ter financiering van de overname van een buitenlandse groep. De kosten die hiermee samenhingen, waaronder een 'underwriting discount' en advieskosten, werden door de Rechtbank in aftrek toegelaten.

De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen deze uitspraak en voerde aan dat de kosten onder de vrijstelling van artikel 13 lid 1 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zouden vallen, omdat de emissiegelden niet voor belanghebbende zelf waren aangewend maar voor een buitenlandse kleindochtervennootschap.

De Hoge Raad oordeelde dat de emissiekosten als kosten van wijziging van het kapitaal moeten worden aangemerkt en derhalve aftrekbaar zijn volgens artikel 9 lid 1 letter Pro e van de Wet. De aanwending van de emissiegelden is niet relevant voor de aftrekbaarheid. De kosten zijn primair verbonden aan het bestaan van belanghebbende als beursgenoteerde vennootschap en niet aan de voordelen uit de te verwerven buitenlandse groep.

De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees geen proceskosten toe.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de aftrekbaarheid van emissiekosten wordt bevestigd.

Uitspraak

Nr. 08/00324
23 oktober 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 11 december 2007, nr. AWB 06/4824, betreffende een aan X N.V. te Z (hierna: belanghebbende) gerichte beschikking als bedoeld in artikel 20a, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2000).
1. Het geding in feitelijke instantie
De Inspecteur heeft, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag in de vennootschapsbelasting van belanghebbende voor het jaar 2000, het bedrag van het verlies van dat jaar bij beschikking vastgesteld. De beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en het verlies over het jaar 2000 nader vastgesteld. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend. Daarbij is het eerste middel ingetrokken.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende heeft in het jaar 2000 overeenstemming bereikt over de overname van een buitenlandse groep. Om deze overname te financieren is besloten tot een emissie van aandelen. De emissie heeft plaatsgevonden in december 2000. De met de emissie verkregen gelden zijn aangewend ten behoeve van een buitenlandse kleindochtervennootschap van belanghebbende, die daarmee de overname van de groep heeft gefinancierd.
3.1.2. Een drietal financiële instellingen (hierna: de Underwriters) heeft aan belanghebbende verschillende diensten verleend ter zake van deze emissie. Voor deze dienstverlening was belanghebbende in het onderhavige jaar onder meer een zogenoemde 'underwriting discount' verschuldigd aan de Underwriters.
3.1.3. Voorts heeft een buitenlandse groepsvennootschap van belanghebbende advieskosten betaald die betrekking hadden op de emissie, maar nog niet aan belanghebbende waren doorbelast.
3.2. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de 'underwriting discount' en de advieskosten bij het bepalen van de winst van belanghebbende in aftrek komen. Daartoe heeft de Rechtbank overwogen dat beide kostensoorten betrekking hebben op de emissie, dat kosten van wijziging van het kapitaal in de zin van artikel 9, lid 1, aanhef en letter e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2000; hierna: de Wet) op de winst in aftrek komen en dat deze kosten van uitbreiding van het kapitaal eigen zijn aan de rechtsvorm van belanghebbende en mitsdien niet kunnen worden gerekend tot kosten welke verband houden met een (buitenlandse) deelneming in de zin van artikel 13, lid 1, van de Wet.
3.3. Het tweede - thans nog enige - middel keert zich tegen dit oordeel met het betoog dat de kosten vallen onder de vrijstelling van artikel 13, lid 1, van de Wet, nu de met de emissie verkregen gelden niet ten behoeve van belanghebbende zelf zijn aangewend en een duidelijk verband bestaat tussen de gemaakte kosten en de vergroting van het belang in de buitenlandse kleindochter, die de overname van de groep heeft gefinancierd.
3.4. Het middel kan geen doel treffen. De onderhavige kosten zijn aan te merken als kosten van wijziging van het kapitaal en daardoor in beginsel aftrekbaar op grond van artikel 9, lid 1, aanhef en letter e, van de Wet. Voorts hebben deze kosten primair betrekking op het bestaan van belanghebbende als beursgenoteerde naamloze vennootschap; de kosten zijn niet afhankelijk van de wijze waarop het kapitaal zal worden aangewend. Dit brengt mee dat deze kosten niet op zodanige wijze verband houden met bepaalde door belanghebbende te behalen voordelen (in het onderhavige geval: voordelen uit de te verwerven buitenlandse groep), dat zij voor de toepassing van artikel 13, lid 1 van de Wet aan die voordelen moeten worden toegerekend.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, A.R. Leemreis en J.A.C.A. Overgaauw, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2009.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 447.