Het college legde op 24 november 2023 een bestuurlijke boete van €4.000,- op aan eiseres wegens het bedrijfsmatig onttrekken van woonruimte zonder vergunning. Het besluit werd verzonden naar het laatst bekende adres van eiseres in de Basisregistratie Personen (Brp), waar haar verblijfplaats sinds 2 november 2023 in onderzoek was. Eiseres maakte op 23 mei 2024 bezwaar, wat buiten de wettelijke termijn van zes weken viel.
Eiseres stelde dat het besluit niet correct was bekendgemaakt omdat zij niet op het Brp-adres woonde en dat het college niet mocht uitgaan van de juistheid van de inschrijving. De rechtbank oordeelde echter dat het college aan zijn bekendmakingsverplichting had voldaan door het besluit naar het laatst bekende adres te sturen, waardoor de bezwaartermijn op 25 november 2023 begon te lopen.
Hoewel het college ten onrechte afzag van het horen van eiseres, achtte de rechtbank dit gebrek niet schadelijk voor haar belangen omdat zij haar standpunten in beroep schriftelijk en mondeling had kunnen toelichten. De termijnoverschrijding was niet verschoonbaar, omdat eiseres onvoldoende maatregelen had getroffen om haar post te ontvangen. Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand, en het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.