Appellant ontving bijstand en werd in 2013 onderzocht vanwege niet gemelde buitenlandse onroerende goederen. Na vertrek naar het buitenland in 2014 en ambtshalve uitschrijving uit de BRP, trok het dagelijks bestuur in 2015 het recht op bijstand in en vorderde het bedragen terug. De besluiten werden per aangetekende post naar het laatst bekende adres van appellant verzonden.
Appellant keerde in 2021 terug en maakte bezwaar tegen de besluiten, dat niet-ontvankelijk werd verklaard wegens termijnoverschrijding. De rechtbank bevestigde dit, ondanks het ontbreken van een hoorzitting, omdat appellant niet in zijn belangen was geschaad.
In hoger beroep stelde appellant dat het bestuur had moeten traceren en besluiten naar zijn verblijfadres in Turkije sturen. De Raad oordeelde dat het bestuur aan zijn bekendmakingsverplichting had voldaan door verzending naar het laatst bekende adres, mede omdat appellant niet had voldaan aan zijn meldplicht en geen belangenbehartiger had aangewezen.
De Raad verwierp het beroep wegens strijd met de goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor, en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.