Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, college.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
28 augustus 2020. Verder bedraagt de vervaltermijn voor het opleggen van een boete vijf jaar als de boete hoger is dan € 340,- wat hier het geval is. De boete is opgelegd binnen deze termijn.
28 augustus 2020 met [kenmerk 1] , beide met [naam 3] als behandelaar. In de rapportage terugvordering met [kenmerk 2] is [naam 4] als medewerker genoemd, net als in het besluit intrekking en terugvordering van 12 oktober 2020 met [kenmerk 2] . Uit deze rapportage terugvordering vloeit voort dat “ [werkprocesnummer 3] “schending inlichtingenplicht” is opgestart ( [werkprocesnummer 4] )”. Volgens het college is de reden hiervoor dat een aparte boeteambtenaar zich gaat buigen over de boete. Het primaire besluit is ook ondertekend met “een boetemedewerker”. Het [werkprocesnummer 4] staat vermeld in het voornemen boete van 14 februari 2022, het primaire besluit van 14 maart 2022 en de rapportage bij het primaire besluit. Uit de rapportage bij het primaire besluit blijkt dat de boetemedewerker in dit geval [naam 5] is geweest.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- stelt het bedrag van de boete vast op € 655,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres voor € 2.998,-.