ECLI:NL:RBZWB:2023:8930
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag BPM ontvangen van € 3.209, nadat de inspecteur een hogere waarde aan het voertuig had vastgesteld dan belanghebbende had opgegeven. Belanghebbende voerde aan dat een andere herleidingsmethode toegepast moest worden en dat schade aan het voertuig onvoldoende was meegenomen. De rechtbank oordeelt dat de door belanghebbende voorgestelde herleidingsmethode niet kan worden toegepast en dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
De rechtbank stelt dat normale gebruiksschade niet in mindering kan worden gebracht op de handelsinkoopwaarde en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er op het moment van aangifte nog sprake was van niet herstelde schade. Het taxatierapport van de inspecteur concludeert dat de geclaimde schade niet is aangetroffen of als gebruikersschade moet worden beschouwd.
Verder wordt belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De Minister van Justitie en Veiligheid wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoeding, de proceskosten van € 209,25 en het griffierecht van € 184. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.