ECLI:NL:RBZWB:2022:8084
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek teruggaaf dividendbelasting niet in strijd met Unierecht
Belanghebbende, een in het Verenigd Koninkrijk gevestigd beleggingsfonds, verzocht om teruggaaf van ingehouden dividendbelasting over de boekjaren 2004/2005 tot en met 2007/2008 en 2012/2013 tot en met 2014/2015. De inspecteur wees deze verzoeken af en verklaarde de bezwaren ongegrond, waarna belanghebbende beroep instelde.
De rechtbank overwoog dat voor de jaren vóór 2008 de voormalige teruggaafregeling voor fiscale beleggingsinstellingen (fbi) van toepassing is, en voor de jaren vanaf 2008 het regime van de afdrachtvermindering. Belanghebbende heeft niet ingestemd met een vervangende betaling, een vereiste volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad, waardoor reeds op die grond geen recht op teruggaaf bestaat.
Daarnaast heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoende vergelijkbaar is met een Nederlandse fiscale beleggingsinstelling, met name niet ten aanzien van de dooruitdelingseis. De Hoge Raad en het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch hebben eerder geoordeeld dat in het Verenigd Koninkrijk gevestigde beleggingsfondsen niet vergelijkbaar zijn met Nederlandse fbi’s vanwege verschillen in belastingregelingen.
Voor de jaren vanaf 2008 bevestigde de Hoge Raad dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het ontbreken van een tegemoetkoming voor buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken of prejudiciële vragen te stellen.
Gelet op deze overwegingen verklaart de rechtbank de beroepen ongegrond en wijst het verzoek tot teruggaaf van dividendbelasting af. Tevens bestaat geen recht op rentevergoeding of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot teruggaaf van dividendbelasting af en verklaart de beroepen ongegrond.