ECLI:NL:RBZWB:2022:7212
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet gemelde werkzaamheden tijdens opleiding
Eisers ontvingen vanaf 2005 een bijstandsuitkering. Het dagelijks bestuur ontving in oktober 2019 een melding dat eisers werkten en bezittingen hadden in het buitenland. Een onderzoek door de gemeente Breda concludeerde dat eiser in de periode maart tot juni 2020 als schilder werkzaam was bij een schildersbedrijf, zonder dit te melden. Het dagelijks bestuur trok daarom de bijstand over die periode in en vorderde het bedrag van €5.316,55 terug.
Eisers voerden aan dat zij dachten dat alleen betaald werk gemeld moest worden en dat het schilderen onderdeel was van een opleiding. Ook stelden zij dat de inkomsten beperkt waren en dat de inlichtingenplicht niet door eiseres was geschonden. Het dagelijks bestuur stelde dat eisers op de inlichtingenplicht waren gewezen en dat het onderzoek objectief bewijs leverde van werkzaamheden die op geld waardeerbaar waren.
De rechtbank oordeelde dat het verrichten van schilderwerkzaamheden, ook in het kader van een opleiding, onder de inlichtingenplicht valt. De waarnemingen en verklaringen van getuigen bevestigden dat eiser zelfstandig en onderhandelend schilderde. Eisers hadden geen objectieve administratie overlegd om hun stellingen te onderbouwen. Daardoor kon het recht op bijstand over de periode niet worden vastgesteld en was intrekking en terugvordering terecht.
De rechtbank wees het beroep af, bevestigde het bestreden besluit en oordeelde dat eisers geen recht hadden op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering over maart tot juni 2020.