Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:440

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 januari 2019
Publicatiedatum
13 februari 2019
Zaaknummer
17/6546 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking recht op bijstand wegens niet melden geldtransacties

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft het recht op bijstand van appellant over januari en maart 2011 ingetrokken en de betaalde bijstand teruggevorderd wegens het niet melden van op geld waardeerbare activiteiten.

De aanleiding was een signaal van de Financial Intelligence Unit Nederland dat appellant financiële transacties (moneytransfers) had verricht. Appellant voerde aan dat deze transacties geen op geld waardeerbare activiteiten waren, maar dit werd verworpen omdat dergelijke transacties in het economisch verkeer als op geld waardeerbaar worden beschouwd.

De rechtbank oordeelde dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door de transacties niet te melden, ongeacht of hij er een vergoeding voor ontving. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en verklaart het beroep ongegrond.

Appellant kon niet met objectieve gegevens aantonen dat het om een onbetaalde vriendendienst ging. De Raad concludeert dat het college terecht het recht op bijstand heeft ingetrokken en de kosten heeft teruggevorderd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van bijstand en terugvordering wordt bevestigd.

Uitspraak

17.6546 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 augustus 2017, 17/585 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Datum uitspraak: 29 januari 2019
Zitting heeft: M. Schoneveld
Griffier: J.M.M. van Dalen
Ter zitting zijn verschenen: mr. R. Charité namens appellant en D.L. Swart namens het college.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het college heeft bij besluit van 21 september 2016, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 28 december 2017 (bestreden besluit), het recht op bijstand van appellant over de maanden januari 2011 en maart 2011 ingetrokken en de kosten van de over deze maanden betaalde bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 1.839,40. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in de betreffende maanden op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Door daarvan geen melding te doen bij het college heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand in de betreffende maanden niet worden vastgesteld. Aanleiding voor deze besluitvorming was gelegen in het signaal dat het college heeft ontvangen van de Financial Intelligence Unit Nederland van de Nationale Politie (FIU) inhoudende dat appellant financiële transacties, aangeduid als moneytransfers, heeft verricht. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Niet in geschil is dat appellant zowel in de maand januari 2011 als in de maand maart 2011 een geldtransactie heeft verricht van € 4.000,- en daarvan geen melding heeft gemaakt bij het college. Appellant heeft aangevoerd dat het college de transacties ten onrechte heeft aangemerkt als op geld waardeerbare activiteiten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft in een korte periode van drie maanden twee transacties verricht waarmee grote bedragen waren gemoeid. Deze activiteiten zijn in het economisch verkeer op geld waardeerbaar. Het is gebruikelijk dat degene die een money-transfer uitvoert voor derden, hiervoor een geldelijke vergoeding ontvangt of had kunnen bedingen. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het college heeft kunnen concluderen dat appellant met het verrichten van de transacties op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn geweest dat zijn activiteiten voor de verlening van de bijstand van belang konden zijn, zodat hij door na te laten van de transacties melding te maken bij het college de inlichtingenverplichting heeft geschonden.
Het betoog van appellant dat slechts sprake was van een vriendendienst waarvoor hij geen vergoeding heeft ontvangen, treft geen doel. Appellant heeft deze stelling niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. De door appellant in bezwaar overgelegde verklaring van de kennis voor wie hij stelt de transactie te hebben verricht, alsmede haar verklaring afgelegd tijdens de hoorzitting in bezwaar, dateren van ruim vijf jaar na de transacties en worden niet met objectieve gegevens onderbouwd. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat appellant er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat, indien hij de transacties wel zou hebben gemeld, hij over de maanden januari 2011 en maart 2011 recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) J.M.M. van Dalen (getekend) M. Schoneveld
sg