ECLI:NL:RBZWB:2022:6757
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling premieheffing volksverzekeringen voor Rijnvarende werknemer met A1-verklaring
Belanghebbende, woonachtig in Nederland en werkzaam aan boord van een schip dat in de Rijnvaart wordt gebruikt, maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor 2016. De inspecteur legde de aanslag op uitgaande van volledige premieheffing in Nederland, ondanks een A1-verklaring die het Nederlandse socialezekerheidsrecht voor de periode 1 maart tot 31 december 2016 van toepassing verklaarde.
De rechtbank beoordeelde of de inspecteur gebonden was aan de A1-verklaring en oordeelde dat zowel inspecteur als belastingrechter daaraan gebonden zijn zolang de verklaring niet is ingetrokken of ongeldig verklaard door de bestuursrechter. Belanghebbendes betoog dat de verklaring niet procedureel correct tot stand kwam, werd verworpen.
Daarnaast stelde belanghebbende recht te hebben op verrekening van in Liechtenstein geheven premies op grond van artikel 73 van Pro de Toepassingsverordening. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Hoge Raad dat in het kader van de Rijnvarendenovereenkomst slechts één Rijnoeverstaat van toepassing kan zijn en dat artikel 73 geen Pro grond biedt voor verrekening indien slechts Nederlandse wetgeving van toepassing is.
Belanghebbende voerde geen zelfstandige gronden aan tegen de belastingrente. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV en belastingrente wordt ongegrond verklaard.