ECLI:NL:HR:2021:187
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt Hofuitspraak over verrekening premie volksverzekeringen rijnvarende
Belanghebbende, werkzaam als rijnvarende op een motortankschip, verzocht in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor 2013 om vrijstelling van de premie volksverzekeringen voor de periode 1 maart tot en met 31 juli 2013. De Inspecteur weigerde deze vrijstelling en legde premie volksverzekeringen op over die periode. Belanghebbende was in die periode in dienst bij een Cypriotische werkgever en er werden Cypriotische socialeverzekeringspremies ingehouden. De Sociale Verzekeringsbank gaf een A1-verklaring af dat Nederlandse socialeverzekeringswetgeving van toepassing was.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende in Nederland premieplichtig was en bracht de ingehouden Cypriotische premies in mindering op de Nederlandse premie. De Hoge Raad stelde echter vast dat dit in strijd was met Europese verordeningen en nationale wetgeving. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en bevestigde het vonnis van de Rechtbank, waarin geen verrekening plaatsvond.
De Hoge Raad wees ook op het niet-naleven van digitale indieningsvereisten door de rechtsbijstandverlener bij het incidenteel cassatieberoep, waardoor dat beroep buiten beschouwing bleef. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bevestigt het vonnis van de Rechtbank, waarbij geen verrekening van Cypriotische premies met Nederlandse premie volksverzekeringen plaatsvindt.