ECLI:NL:RBZWB:2022:5080
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep op vertrouwensbeginsel en matiging vergrijpboete in belastingzaak over inkomsten uit verdovende middelen
Belanghebbende was aandeelhouder van een vennootschap en hield daarnaast een eenmanszaak. In 2017 werd bij een doorzoeking grote hoeveelheden cocaïne, MDMA en contant geld aangetroffen. Belanghebbende werd strafrechtelijk veroordeeld en het bedrag van € 135.410 werd verbeurd verklaard.
De inspecteur legde navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw op, waarbij werd uitgegaan van een belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden van € 1.035.410. Tevens werd een vergrijpboete van 50% opgelegd. Belanghebbende voerde beroep in tegen deze aanslagen en boete.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende mocht vertrouwen op de toezegging van de inspecteur dat het verbeurd verklaarde bedrag in aftrek mocht worden gebracht. Daarnaast acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende in 2017 meer inkomsten had dan aangegeven, waardoor de bewijslast omkeert. De schatting van de inspecteur wordt als redelijk beoordeeld. De boete wordt gematigd tot € 22.500 vanwege persoonlijke omstandigheden en overschrijding van de redelijke termijn. De navorderingsaanslag IB/PVV wordt verminderd en het beroep wordt gegrond verklaard. Het beroep tegen de navorderingsaanslag Zvw wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Navorderingsaanslag IB/PVV en vergrijpboete worden verminderd, beroep gegrond verklaard, navorderingsaanslag Zvw ongegrond.