Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
A: Ik heb de hennepkwekerij niet ingericht en ik weet er ook heel weinig vanaf.
De rechtbank acht de verklaring van [belanghebbende] dat de eerste oogst is mislukt niet geloofwaardig. Zo heeft [belanghebbende] bij de politie verklaard dat de eerdere oogst is mislukt omdat de lampen 24 uur zouden hebben aangestaan waardoor de hennepplanten zouden zijn doodgegaan, terwijl hij ter terechtzitting van 18 oktober 2018 heeft verklaard dat de eerdere oogst is mislukt vanwege spint in de hennepplanten. Gelet op de wisselende en tegenstrijdige verklaringen van [belanghebbende] op dit punt acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de eerste oogst teniet zou zijn gegaan. Bovendien past de verklaring van [belanghebbende] over wanneer de hennep zou zijn geoogst en hoe lang de tweede oogst hennepplanten er al zou staan geenszins bij de in de kwekerij aangetroffen situatie. [belanghebbende] heeft ter terechtzitting van 18 oktober 2018 verklaard dat de hennepkwekerij er vanaf oktober/november 2017 stond en dat er één mislukte oogst is geweest. Uitgaande van een kweekcyclus van tien weken per oogst en gelegd op de aangetroffen hennepplanten van circa acht weken oud, acht de rechtbank de verklaring van [belanghebbende] ongeloofwaardig en schuift deze terzijde. Vervolgens concludeert de rechtbank dat er uit het procesdossier voldoende indicatoren naar voren komen die tot de vaststelling leiden dat er een eerdere oogst heeft plaatsgevonden.”
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;